Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Amerikaanse grijze ruiter
Amerikaanse grijze ruiter | Tringa incana
Wandering Tattler | Playero de alaska
De amerikaanse grijze ruiter is de rotsenspecialist van de Stille Oceaan: een gedrongen, donkergrijze steltloper van ruim een kwart meter, met korte gele poten, een rechte donkere snavel en een egale bovenzijde zonder enige tekening. In dit kaartvenster is Norfolk zijn bolwerk — daar is hij jaarlijks te zien op de branding-rotsen — terwijl hij op het Australische en Nieuw-Zeelandse vasteland een zeldzaamheid blijft.
Geluid
De roep is een rollende, fluitende triller van zes tot tien snelle noten die op één toonhoogte over elkaar heen buitelen, meestal gegeven tegen de achtergrond van brekende golven waar de vogel zit. Het is een aanhoudend, trillend geluid, heel anders dan het korte tweedelige toe-wiet van de siberische grijze ruiter, en dat verschil is in het veld het snelste en meest betrouwbare determinatiemiddel dat er voor deze twee bestaat. Bij verstoring versnelt de triller en wordt hij schriller.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een gedrongen ruiter van ongeveer zevenentwintig centimeter en honderdtwintig gram, egaal donkergrijs op bovendelen, ondervleugel, gezicht en hals, met een witte buik. De snavel is recht en donker, met een neusgroeve die over méér dan de helft van de snavellengte doorloopt. De poten zijn kort en dofgeel. Boven het oog staat maar een kórte witte wenkbrauwstreep die niet tot achter het oog doorloopt, en die vaak op het voorhoofd met zijn tegenhanger samenkomt. In broedkleed is de hele onderzijde zwaar dwarsgebandeerd, tot op de buik en de onderstaartdekveren; in winterkleed zijn borst en flanken egaal grijs met een witte onderborst en buik. In rust steken vijf handpenpunten voorbij de tertials uit.
Verwarringssoorten
De siberische grijze ruiter (Tringa brevipes) is de enige echte verwarringssoort en is in Australië duizenden malen talrijker; ga daar dus van uit. Verschillen, in volgorde van bruikbaarheid: de roep (een tweedelig opwaarts fluitje tegenover een rollende triller), de wenkbrauwstreep (bij de siberische breed en tot achter het oog, hier kort en vóór het oog eindigend), de neusgroeve (korter dan de halve snavel tegenover langer), het broedkleed (bandering alleen op borst en flanken tegenover bandering tot op de buik) en de vleugelpunt (vier of minder handpennen voorbij de tertials tegenover vijf). De groenpootruiter (Tringa nebularia) en de poelruiter (Tringa stagnatilis) hebben een witte rugwig die hier volstrekt ontbreekt. De steenloper (Arenaria interpres) deelt de rotskust maar is bont zwart-wit en oranjepotig.
Leefgebied
Vrijwel uitsluitend hard substraat aan open kust: branding-rotsen en zeekliffen, koraalplateaus en rifranden die bij laagwater droogvallen, blokkenstranden, golfbrekers en havenhoofden. Hij loopt daar alleen of met zijn tweeën over de zeewiervlakken en de met pokken begroeide platen, wipt daarbij voortdurend met het achterlijf en pikt kleine kreeftachtigen en wormen tussen de spleten weg. Zandstranden en zachte slikplaten gebruikt hij zelden, en binnenwater in het geheel niet.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Binnen dit kaartvenster is Norfolkeiland zijn vaste plek: daar is hij elk jaar aanwezig op de rotskusten, en van de drie landen levert dat eiland veruit de meeste waarnemingen. Op het Australische vasteland is hij schaars en beperkt tot rotsige koppen en koraaleilanden aan de oostkust en in de Koraalzee. Nieuw-Zeeland bereikt hij niet elk jaar en meestal als enkeling: er zijn meldingen van Spirits Bay in het uiterste noorden tot Brooklands Lagoon in Canterbury, en verder van de Kermadecs, de Chathams en de Aucklandeilanden. De vogels komen tussen september en april, gevolgd door overzomerende onvolwassen exemplaren.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga naar Norfolk of naar een rotsig kaap aan de oostkust bij afgaand tij, en loop de branding-rand af in plaats van het wad: deze vogel zit waar het water tegen de rots slaat. Laat de roep beslissen — wacht tot hij opvliegt en luister of je een rollende triller hoort of twee opwaartse noten — en fotografeer bij twijfel de kop in profiel, want de lengte van de wenkbrauwstreep en de neusgroeve zijn op een scherpe foto na te meten.
Staat van instandhouding
Niet in gevaar (LC): de soort broedt langs bergbeken en gletsjerrivieren in Alaska, het noordwesten van Canada en het uiterste noordoosten van Siberië, en overwintert verspreid over de eilanden van de hele Stille Oceaan tot in Zuid-Amerika. Die spreiding is zijn beste bescherming: doordat hij niet aan grote getijdenslikplaten gebonden is, raakt de inpoldering rond de Gele Zee hem nauwelijks, anders dan de meeste steltlopers in deze gids. Wel is hij gevoelig voor verstoring van rotskusten en voor olievervuiling, en zijn kleine wereldstand — enkele tienduizenden vogels — laat weinig marge.
Wetenschappelijke naam
Tringa incana | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Scolopax incana, naar een vogel van Eimeo, het huidige Moorea in de Genootschapseilanden; door de latere verplaatsing naar Tringa staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het epitheton incana betekent 'grijs, grauw, vergrijsd', naar het effen grijze kleed. De geslachtsnaam Tringa gaat via het Neolatijn terug op het Griekse trungas bij Aristoteles. De Engelse naam Wandering Tattler verbindt zijn zwerftocht over de Stille Oceaan met het luide alarmeren; de Nederlandse naam noemt het broedgebied in Amerika, tegenover de Siberische verwant.



