Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Grote boeboekuil
Grote boeboekuil | Ninox strenua
Powerful Owl | Nínox robusto
De grote boeboekuil is de grootste uil van Australië en de zwaarste nachtelijke jager van het continent: ruim een halve meter lang, met gele ogen in een donker masker en enorme geeloranje klauwen waarmee hij ringstaartbuidelratten en grote glijders uit de boomkruinen plukt. Overdag hangt hij onbeweeglijk in een gully, vaak met de resten van de vangst van vorige nacht nog in één poot geklemd.
Geluid
De roep is een diep, traag en zacht dubbel geluid, woe-hoe, met een duidelijke pauze tussen de twee noten en op onregelmatige afstanden herhaald. Hij klinkt eerder gedempt dan luid, maar de lage toon draagt ongewoon ver door een beboste vallei en is 's winters, in het territoriumseizoen, het vaakst te horen. Het paar roept in duet, waarbij het vrouwtje hoger en iets krassender is. Jongen bedelen met een aanhoudend, trillend gefluit dat weken achtereen elke nacht uit dezelfde gully komt, en bij verstoring klinkt een schor gekras.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een reusachtige, langgerekte uil zonder gezichtssluier, met een voor de omvang opvallend kleine kop en een lange, brede staart. De bovenzijde is donkergrijs tot donker grijsbruin met witte dwarsbanden, de onderzijde vuilwit met grove, donkere V-tekens die als omgekeerde punten over borst en buik liggen — het duidelijkste kenmerk van de soort. De ogen zijn geel en liggen in een donker masker; de poten zijn bevederd en eindigen in zware, geel tot oranje tenen met lange klauwen. Anders dan bij bijna alle roofvogels is het mannetje de grootste: ongeveer anderhalve kilo tegen ruim een kilo. Jonge vogels hebben een donzige witte kop en onderzijde.
Verwarringssoorten
De rosse boeboekuil (Ninox rufa) is even groot maar warm roodbruin en over de hele onderzijde fijn dwarsgestreept in plaats van grof V-getekend, en leeft in het tropische noorden waar deze soort niet komt. De blafuil (Ninox connivens) overlapt wel volop, maar is een derde kleiner, grijzer en rechtlijnig gestreept, en blaft. De Australische boeboekuil (Ninox boobook) is half zo groot en gevlekt. De zwarte kerkuil (Tyto tenebricosa) jaagt op dezelfde buideldieren in hetzelfde gully-bos, maar heeft donkere ogen, een grote ronde gezichtssluier en is van boven én onder donker.
Leefgebied
Open eucalyptusbos en woodland, en vooral de beschutte gullies in nat bos met een dichte onderlaag, doorgaans langs een waterloop. Twee dingen moeten samenkomen: grote oude bomen met een verticale holte van soms een meter diep om in te broeden, en een bosperceel dat genoeg boombewonende buideldieren draagt. Overdag rust hij in een dichte, donkere kroon in de gully, jarenlang op dezelfde tak. In de steden van de oostkust is hij doorgedrongen tot parken en oude tuinen, waar ringstaartbuidelratten talrijk zijn.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Endemisch voor oostelijk en zuidoostelijk Australië, vrijwel geheel aan de oostzijde van de Great Dividing Range, van zuidoostelijk Queensland door New South Wales en Victoria tot in het zuidoosten van Zuid-Australië. Hij komt niet voor op Tasmanië, niet in het westen en niet in Nieuw-Zeeland. Hij is uitgesproken standvogel: een paar houdt levenslang een territorium van enkele honderden tot meer dan duizend hectare. In Sydney, Brisbane en Melbourne broedt een opmerkelijk stadse populatie in oude parkbomen.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Loop in de winter, tussen mei en augustus, in het eerste uur na zonsondergang een beboste gully in en luister naar het trage woe-hoe; dat is het seizoen waarin het paar het meest roept. Zoek daarna overdag op de bosbodem onder dichte kronen naar witte spatten en naar braakballen en botten van ringstaartbuidelratten — die verraden een slaaptak die vaak decennia in gebruik is. Kijk ook in stadsparken met oude vijgen- en eucalyptusbomen: in Sydney is de soort op een paar honderd meter van een drukke straat te vinden.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (LC), maar in New South Wales en Victoria staat de soort als kwetsbaar te boek en de Australische populatie wordt op enkele duizenden paren geschat. Het knelpunt is de boom: een holte die groot genoeg is, ontstaat pas in een eucalyptus van honderdvijftig jaar of ouder, en die bomen zijn door houtkap, ontginning en te vaak terugkerende bosbranden schaars geworden. De zware bosbranden van 2019–2020 verbrandden een aanzienlijk deel van het leefgebied in het zuidoosten. Daarbij komt het wegvallen van de prooi: waar de ringstaartbuidelrat en de grote glijder achteruitgaan, houdt het paar zijn territorium niet vol.
Wetenschappelijke naam
Ninox strenua | (Gould, 1838)
Gould beschreef de soort in 1838 als Athene ? strenua — het vraagteken staat in zijn eigen protonym, want hij twijfelde aan het geslacht — en omdat ze later naar Ninox verhuisde, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het epitheton strenua is Latijn voor 'krachtig, kordaat, onvermoeibaar' en slaat op de bouw van de vogel; de Engelse naam Powerful Owl is daar de vertaling van. Het geslacht Ninox voerde Hodgson in 1837 in, uit Nisus (sperwer) en noctua (nachtuil). De typelocatie is New South Wales.



