Alle soortenGenten en aalscholversFregatvogels › Grote fregatvogel

Grote fregatvogel | Fregata minor

Great Frigatebird | Fragata grande

De grote fregatvogel is een reusachtige, gitzwart ogende zeevogel met een spanwijdte van ruim twee meter, lange in de pols geknikte vleugels en een diep gevorkte staart die hij in de vlucht als een schaar opent en sluit. Op het water landt hij nooit — zijn verenkleed is niet waterdicht — en hij leeft van wat hij in de vlucht van het oppervlak plukt of van andere zeevogels afperst. Het mannetje is geheel zwart met een scharlaken keelzak die hij bij de balts tot een ballon opblaast; het vrouwtje is groter en heeft een witte keel en borst.

Grote fregatvogel (Fregata minor)
Foto: Jason Corriveau — Public domain · Wikimedia Commons

Geluid

Boven zee is hij vrijwel altijd stil. Op de kolonie is het anders: het baltsende mannetje trommelt met de snavel op zijn opgeblazen keelzak en laat daarbij een hol, ratelend geluid horen, rrrr-rrrr, terwijl hij de kop heen en weer zwaait en met de vleugels klappert naar overvliegende vrouwtjes. Aan het nest klinkt bij de begroeting tussen partners een schor gesnater met snavelgeklepper; jongen bedelen met een aanhoudend, ijl gekrijs.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een grote, van onderen zwart ogende zeevogel van bijna een meter, met een spanwijdte van 205 tot 230 centimeter en opvallend licht gebouwd. De vleugels zijn lang en scherp in de pols geknikt, de staart is diep gevorkt maar wordt in de zweefvlucht meestal tot één punt dichtgeklapt, zodat de vork pas bij een bocht zichtbaar wordt. De snavel is lang en aan de punt sterk gehaakt. Het mannetje is geheel zwart met groene glans op de schouderveren en heeft in de broedtijd een felrode keelzak; het vrouwtje is groter, met witte kin, keel en borst, een grijsroze snavel en een rode oogring. Jonge vogels hebben een roestwitte kop en keel en een witte buik, en doen er jaren over om het kleed van de oude vogels te bereiken.

Verwarrings­soorten

De kleine fregatvogel (Fregata ariel) is de enige andere fregatvogel die hier regelmatig voorkomt en is kleiner en compacter, met een snellere vleugelslag. Beslissend is de onderzijde. Het mannetje van de kleine fregatvogel heeft witte okselvlekken die als twee sporen vanaf de flank de ondervleugel in lopen; bij het geheel zwarte mannetje van de grote fregatvogel ontbreken die. Het vrouwtje van de kleine fregatvogel heeft een zwarte kin en keel met daaronder een witte borst die eveneens in okselsporen uitloopt, terwijl bij het vrouwtje van de grote fregatvogel kin, keel én borst wit zijn en de ondervleugel egaal donker blijft. Jonge vogels van beide soorten zijn op zee vaak niet met zekerheid te scheiden; de literatuur zegt dat ook met zoveel woorden.

Leefgebied

Warm, open oceaanwater boven en buiten het continentaal plat, waar hij vaak hoog op de passaatwind zweeft. Hij broedt in lage bomen en struiken op onbewoonde koraaleilandjes en zandcays, meestal tussen genten en sterns, en rust op dezelfde eilanden op takken en kale grond. Op zee gaat hij nooit zitten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Binnen het kaartvenster is hij een vogel van de tropische noordrand: de Koraalzee, het noordelijke deel van het Great Barrier Reef en de Timorzee. Hij broedt op de cays van het Coringa-Herald- en Lihou-rif in de Koraalzee en op Ashmore Reef voor de Kimberley-kust, en is voor de kust van Noord-Queensland en de Kimberley het hele jaar door te zien. Na cyclonen dwaalt hij langs de oostkust zuidwaarts af tot in Nieuw-Zuid-Wales. In Nieuw-Zeeland is hij niet meer dan een zeldzame dwaalgast, vooral bij het noorden van het Noordereiland en de Kermadec-eilanden.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem hoog. Fregatvogels hangen vaak honderden meters boven de kust op thermiek en vallen dan op als een zwarte, hoekige vorm met een gevorkte staart tussen de meeuwen en sterns. Bij een sternkolonie of achter een vissersboot komen ze laag, en dan is de onderzijde te zien — kijk daar altijd naar, want dat is het enige wat hem van de kleine fregatvogel scheidt. Rond de rifcays van Noord-Queensland is de kans het grootst bij aanlandige wind.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC): het wereldwijde verspreidingsgebied is enorm en de totale populatie groot. Lokaal is het beeld minder gunstig. De kolonies liggen op kleine eilanden waar ratten, katten en landkrabben eieren en jongen nemen, en waar verstoring door bezoekers een hele kolonie kan laten opvliegen, waarna meeuwen de onbewaakte nesten leegroven. Omdat de soort pas laat aan broeden toekomt, maar één jong per broedsel grootbrengt en niet elk jaar broedt, herstelt een verloren seizoen zich traag.

Wetenschappelijke naam

Fregata minor | (Gmelin, 1789)

Johann Friedrich Gmelin beschreef de soort in 1789 als Pelecanus minor, bij de pelikanen; omdat ze sindsdien in een ander geslacht staat, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Fregata is genoemd naar het fregat, het snelle en wendbare zeilschip, naar de vlucht van deze vogels en naar hun gewoonte andere vogels te beroven. minor is Latijn voor 'kleiner', wat verwarrend is, want dit is juist een van de grootste fregatvogels; waarom Gmelin die naam koos, is niet overgeleverd. Een oorspronkelijke typelocatie ontbreekt: latere auteurs beperkten die eerst tot de oostelijke helft van de Indische Oceaan en uiteindelijk tot Christmaseiland.