Alle soorten › Papegaaiachtigen › Kaketoes › Grote geelkuifkaketoe
Grote geelkuifkaketoe | Cacatua galerita
Sulphur-crested Cockatoo | Cacatúa australiana
De grote geelkuifkaketoe is de witte papegaai met de zwavelgele kuif die in het oosten van Australië bij elke schemering krijsend over de daken trekt. Hij is groot, luidruchtig en onderzoekend, leeft in de vrije natuur twintig tot veertig jaar en in gevangenschap makkelijk zeventig, en hij hoort even goed bij het regenwoud als bij het parkeerterrein van de supermarkt.
Geluid
Een luide, rauwe schreeuw met een lichte opwaartse zwaai aan het eind is de gewone roep, en een groep die opvliegt maakt daar een oorverdovend koor van dat een hele straat overstemt. Bij het foerageren houdt hij zachte, knorrende contactgeluiden aan en klinkt het knappen van noten en zaden. Bij schrik of ruzie komt een kort, hoog gekrijs. Op de slaapplaats gaat het geschreeuw tot ver na zonsondergang door.
Opname: Romuald Mikusek — CC BY-NC-SA 4.0 · Devils River, Murrindindi Shire, Victoria, Australia · xeno-canto
Herkenning
Een grote, geheel witte papegaai van bijna een halve meter, met een zware zwartgrijze snavel, grijze poten en een smalle witte ring rond het oog. De naar voren gerichte kuif van smalle, zwavelgele veren wordt bij opwinding rechtop gezet en ligt anders plat over de kruin. Onder de vleugel en onder de staart loopt een gele waas, die vooral in de vlucht opvalt. Man en vrouw lijken op elkaar; van dichtbij heeft het vrouwtje een roodbruine iris en het mannetje een donkerbruine tot zwarte. Jonge vogels hebben een kortere kuif en een donkere iris. In de vlucht slaat hij traag en diep en zeilt hij met stijve vleugels tussen de slagen door.
Verwarringssoorten
De kleine witte kaketoes van het droge binnenland, de naaktoogkaketoe (Cacatua sanguinea) en de oostelijke langsnavelkaketoe (Cacatua tenuirostris), hebben geen gele kuif maar een lage witte, blauwe kale huid om het oog en roze rond de snavelbasis; de tweede heeft bovendien een opvallend lange snavel. De incakaketoe (Cacatua leadbeateri) is bleekroze met een rood-en-geel gebandeerde kuif. De roze kaketoe (Eolophus roseicapilla) is grijs met een roze onderzijde en een witte kuif. Een witte kaketoe zonder geel in de kuif is dus nooit deze soort.
Leefgebied
Droog en nat eucalyptusbos, bosranden, rivierbos en de rand van het regenwoud vormen de kern; daarnaast graanakkers, boomgaarden, weiland met verspreide bomen, stadsparken, tuinen en straatbomen. Om te broeden heeft hij een diepe holte in een oude, dikke eucalyptus nodig, meestal hoog en vaak bij water; die holten zijn schaars en worden jaar na jaar hergebruikt. Hij foerageert grotendeels op de grond, in groepen, met altijd een of meer vogels op wacht in een boom erboven.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Het noorden en het oosten van het Australische vasteland, van de Kimberley over het Top End en Kaap York langs de hele oostkust tot Zuid-Australië, en op Tasmanië. In het zuidwesten zit een klein, uitgezet bestand bij Perth. Buiten Australië komt hij op Nieuw-Guinea en de Aroe-eilanden voor. In Nieuw-Zeeland is hij uitgezet en houdt hij op het Noordereiland stand als exoot. Hij trekt niet; groepen zwerven binnen een vast gebied van slaapplaats naar voedselplek en terug, en in de winter komen ze verder de dorpen in.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga in de late namiddag bij een rivier met oude rode gombomen staan en wacht op de slaaptrek: de groepen komen luidruchtig binnen en de laatste vogels zitten er pas na zonsondergang. Wil je het geslacht zien, dan moet je dichtbij komen en op de iris letten — roodbruin bij het vrouwtje, vrijwel zwart bij het mannetje — en dat lukt het beste bij een vogel die rustig op een tak zit te kauwen. Voer hem niet: kaketoes die op voedertafels bij elkaar komen, geven snavel- en verenziekte aan elkaar door.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC) en over het grootste deel van zijn areaal algemeen; in het bewoonde oosten is hij eerder toegenomen. In sommige landbouwstreken geldt hij als plaag om schade aan graan, fruit en zaaigoed, en aan houtwerk van gebouwen, en daar wordt hij met vergunning geschoten of vergiftigd, want beschermd is hij wel. De echte beperking op lange termijn is het aanbod van grote, oude holtebomen, waarvan er met elke gekapte of omgevallen boom een verdwijnt en die pas na een eeuw worden vervangen.
Wetenschappelijke naam
Cacatua galerita | (Latham, 1790)
Latham beschreef de soort in 1790 als Psittacus galeritus; omdat ze later naar een ander geslacht is verplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Cacatua werd in 1817 ingevoerd door Vieillot en gaat terug op het Maleise kakatua, de naam voor deze vogels. galerita komt van het Latijnse galeritus, 'met een kap' of 'gekuifd', bij galerum, 'muts'. Het beschreven exemplaar kwam uit Nieuw-Zuid-Wales. Van de vier ondersoorten horen galerita in het oosten en fitzroyi in het noorden bij dit gebied.




