Alle soortenPapegaaiachtigenNieuw-Zeelandse papegaaien › Kakapo

Kakapo | Strigops habroptilus

Kakapo | Kakapo

De kakapo is de zwaarste papegaai ter wereld en de enige die niet vliegt: een nachtvogel in mosgroen, met een sluier van fijne veren rond de ogen die aan een uil doet denken. Op 1 september 2026 waren het er 325, allemaal op roofdiervrije eilanden.

Kakapo (Strigops habroptilus)
Foto: Department of Conservation — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het mannetje boomt in de zuidzomer vanuit een uitgegraven kom: een diepe boem onder de honderd hertz, twintig tot dertig keer achtereen, nacht na nacht. Zo'n lage toon draagt ruim een kilometer maar is nauwelijks te peilen — men hoort dát er geboomd wordt, niet waarvandaan. Aan het eind van een reeks volgt een hoog metalen tsjing, dat wél richting geeft en het vrouwtje bij de kom brengt.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Groot en zwaar: 58 tot 64 cm, een mannetje van twee kilo, een vrouwtje van anderhalf. Het verenkleed is geelgroen met zwarte bandering, in lamplicht mosgroen en overdag onzichtbaar tegen de bosbodem. De kop draagt een vlakke sluier van fijne veren rond een bleke brede snavel, met borstelveren die bij het lopen de grond aftasten. De korte ronde vleugels dragen hem niet: ze dienen voor evenwicht bij het klimmen en om uit een kruin omlaag te zweven.

Verwarrings­soorten

In het veld is verwarring uitgesloten: geen andere papegaai van Nieuw-Zeeland is groen, loopt 's nachts over de grond en vliegt niet. Op een foto kan de kea (Nestor notabilis) meespelen — ook olijfgroen, maar met lange gebogen bovensnavel, rode ondervleugels en een leefgebied boven de boomgrens. De kaka (Nestor meridionalis) is bruin met oranje onderzijde en veel slanker. Wie 's nachts iets groots hoort scharrelen, hoorde een weka of een kiwi.

Leefgebied

Op de huidige eilanden podocarpen-loofbos en zuidelijk beukenbos met een dichte laag varens en mossen, waarin hij overdag onder een wortel wegkruipt. Vroeger van de kust tot boven de boomgrens, ook in tussockgrasland en laag struweel. Het broeden hangt aan één plant: alleen in een jaar dat de rimu zwaar vrucht draagt — eens in de drie tot vijf jaar — komt het ervan.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Vroeger over het hele land: Noorder-, Zuider- en Stewarteiland, tot in de negentiende eeuw nog algemeen in Fiordland. De vogel trekt niet en verplaatst zich lopend; elke huidige populatie is met de hand op zijn plaats gezet. Nu zit de hele soort op Whenua Hou, Pukenui en Te Kāhaku, drie roofdiervrije eilanden, met sinds 2023 een proef met enkele mannetjes in het omheinde vastelandsreservaat Maungatautari. De kaart in deze gids toont daarom geen areaal maar een beheersbesluit.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Deze vogel is niet te zien. De eilanden waar hij leeft zijn gesloten gebied; er komt niemand aan land zonder vergunning van het Department of Conservation, en juist daarom bestaat de soort nog. Wat overblijft is alles eromheen: de nachtopnames van het boomen en het jaarlijkse telbericht. Hij staat in deze gids omdat hij leeft, niet omdat hij te vinden is.

Staat van instandhouding

Ernstig bedreigd. Op 1 september 2026 telde de soort 325 vogels na een uitzonderlijk broedseizoen; in 1995 waren het er 51. Elke vogel draagt een zender en heeft een naam, elk nest wordt bewaakt en elk kuiken gewogen. De rem zit inmiddels niet meer in het broedsucces maar in de ruimte: roofdiervrije eilanden van voldoende omvang zijn op.

Wetenschappelijke naam

Strigops habroptilus | Gray, 1845

George Robert Gray beschreef de soort in 1845 als Strigops habroptilus en voerde in hetzelfde werk het geslacht Strigops in; auteur en jaartal staan zonder haakjes, want de soort is sindsdien niet van geslacht verwisseld. Strigops is Grieks voor 'uilgezicht', uit strix (uil) en ops (gezicht); habroptilus verbindt habros (zacht) met ptilon (veer). Het beschreven exemplaar kwam van 'een van de eilanden in de Stille Zuidzee'; Mathews en Iredale beperkten de typelocatie later tot Dusky Sound. Kākāpō is Māori voor nachtpapegaai.