Alle soorten › Stormvogelachtigen › Pijlstormvogels › Grote pijlstormvogel
Grote pijlstormvogel | Ardenna gravis
Great Shearwater | Pardela mayor
De grote pijlstormvogel is een forse, scherp getekende pijlstormvogel van de Atlantische Oceaan die in dit gebied alleen als dwaalgast opduikt. Hij is te herkennen aan een combinatie die geen enkele vaste soort hier heeft: een zwarte kap tot onder het oog, een bleke nekband daarachter, een donkere buikvlek op een verder witte onderzijde, en een witte hoefijzervormige band boven de staart.
Geluid
In dit gebied volstrekt zwijgzaam: de enkele dwaalgasten worden op zee gezien en roepen daar niet. Op de broedeilanden in de Zuid-Atlantische Oceaan is hij 's nachts luidruchtig, met jammerende en balkende tonen die sterk aan die van de grauwe pijlstormvogel doen denken; die stemmen zijn in dit kaartvenster nooit te horen.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Zevenenveertig centimeter en ongeveer achthonderddertig gram, dus groot en zwaar, met lange, vrij smalle vleugels en een krachtige, gestage vlucht met stijve slagen en lange glijvluchten. De kruin is donkerbruin tot zwart en loopt tot onder het oog door, scherp begrensd, met daarachter een opvallende bleke nekband die de kap van de mantel scheidt. Mantel en schouderveren hebben lichte veerzomen die een geschubd patroon geven. De onderzijde is wit, met een duidelijke donkerbruine vlek op de buik en donkere strepen in de ondervleugel. Boven de staart ligt een witte, hoefijzervormige band. De snavel is donkergrijs, de poten roze-grijs, het oog donker.
Verwarringssoorten
De buller-pijlstormvogel (Ardenna bulleri) is het enige serieuze verwarringsgevaar in dit gebied, en hij is talrijk: die heeft eveneens een donkere kap, maar dan zonder bleke nekband, zonder buikvlek en zonder witte band boven de staart, en met een scherpe zwarte M over de grijze rug die de grote pijlstormvogel mist. De gestreepte pijlstormvogel (Calonectris leucomelas) heeft juist een witte, gestreepte kop zonder kap, en een bleke snavel. Bij elke kandidaat is de volgorde: eerst de buikvlek zoeken, dan de witte band boven de staart, dan de bleke nekband — alle drie aanwezig maakt de determinatie rond, twee van de drie is bij een dwaalgast nog te mager.
Leefgebied
Open zee boven het continentaal plat en daarbuiten. In dit gebied gaat het zonder uitzondering om vogels op zee, buiten het broedseizoen; de broedbiotoop — holen in veen- en graslandhellingen op eilanden in de Zuid-Atlantische Oceaan — ligt volledig buiten dit kaartvenster.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Broedt vrijwel uitsluitend op de Tristan da Cunha-groep, met Gough, Inaccessible en Nightingale als hoofdeilanden, en met een kleine kolonie op Kidney Island bij de Falklandeilanden; het gehele broedareaal ligt dus in de Atlantische Oceaan. Binnen dit kaartvenster is hij een dwaalgast die in de laatste twee decennia met enige regelmaat is vastgesteld: in Nieuw-Zeeland elf aanvaarde gevallen tussen 2006 en 2023, onder meer bij de Chathams, voor Otago, bij Kaikoura, bij Stewarteiland en bij Taiaroa Head, en in Australië enkele gevallen voor de zuid- en oostkust. Van een vast seizoen of een vaste plek is geen sprake.
Waar en wanneer kijken
Reken er niet op dat je hem vindt: dit is bij uitstek een vogel die je tegenkomt in plaats van opzoekt, vrijwel altijd op een pelagische tocht tussen alle grauwe pijlstormvogels door. Scan groepen donkere pijlstormvogels op een vogel die opvallend lichter en netter getekend is en een witte band boven de staart laat zien wanneer hij wegdraait. Fotografeer elke verdachte vogel: het onderscheid met de buller-pijlstormvogel valt in het veld zelden in één blik te maken, en de zeldzaamheidscommissies vragen beeldmateriaal.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC), met een zeer grote wereldpopulatie die bijna geheel op een handvol eilanden in de Zuid-Atlantische Oceaan broedt. Die concentratie is de zwakke plek: één ingevoerd roofdier op Gough of Nightingale zou een groot deel van de soort raken. Verder eisen bijvangst in de beugvisserij en de traditionele oogst van jongen op Tristan da Cunha hun deel. Voor dit kaartvenster heeft de soort geen eigen beschermingsopgave; het gaat hier om losse dwaalgasten.
Wetenschappelijke naam
Ardenna gravis | (O'Reilly, 1818)
O'Reilly beschreef de soort in 1818 als Procellaria Gravis, 'zwaar', naar zijn forse bouw vergeleken met andere pijlstormvogels; de beschrijving verscheen in een reisverslag over een tocht naar Groenland, niet in een wetenschappelijk tijdschrift. Omdat de soort later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ardenna werd in 1853 door Reichenbach ingesteld, met juist deze soort als typesoort. De typelocatie omvat de zeeroute tussen Kaap Farewell en Newfoundland, zoals O'Reilly die tijdens zijn reis volgde.

