Alle soortenZangvogelsAustralische babbelaars › Halls babbelaar

Halls babbelaar | Pomatostomus halli

Hall's Babbler | Gárrulo de Hall

Halls babbelaar is de babbelaar van de mulga (acaciastruweel van het droge binnenland, gedomineerd door Acacia aneura) in het droge binnenland op de grens van Queensland en Nieuw-Zuid-Wales. Het is een donkerbruine, langstaartige groepsvogel met een zware, neerwaarts gebogen snavel, een brede witte wenkbrauwstreep en een scherp afgesneden witte bef. Hij leeft in luidruchtige familiegroepjes die achter elkaar aan door het acaciastruweel hobbelen. Pas in 1964 werd hij als aparte soort beschreven — een van de laatste nieuwe vogelsoorten van het Australische vasteland.

Halls babbelaar (Pomatostomus halli)
Foto: Aviceda — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een aanhoudend, babbelend gekwebbel dat de hele groep door elkaar heen voortbrengt: korte, wat klaaglijke miauwende noten, schrapende ratels en piepjes, zonder duidelijk begin of einde. Het is minder luid en minder gezangachtig dan bij de grijskruinbabbelaar (Pomatostomus temporalis), die in dezelfde streek voorkomt en met twee vogels een rauw, gekoppeld ya-hoo laat horen. Het geluid van deze soort verraadt de groep meestal voordat u de vogels ziet, want het klinkt onafgebroken terwijl ze foerageren.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Eenentwintig tot drieëntwintig centimeter. De bovendelen zijn donker roetbruin, de kruin is donker, en daarboven loopt een brede, zuiver witte wenkbrauwstreep die tot ver achter het oog doorloopt. Keel en borst zijn wit en eindigen in een scherpe, rechte lijn tegen de donkerbruine buik — dat is het beslissende kenmerk. De snavel is lang, zwaar en duidelijk naar beneden gebogen, de staart is lang, donker en breed wit gepunt. Hij zoekt zijn voedsel op de bodem en in de stammen en bast van acacia's, waarbij hij de staart hoog houdt en met sprongetjes vooruit komt.

Verwarrings­soorten

De witbrauwbabbelaar (Pomatostomus superciliosus) is het werkelijke probleem en de soort waarvan deze babbelaar tot 1964 niet werd onderscheiden. Beslissend is de grens tussen de witte bef en de buik: bij Halls babbelaar loopt het wit van de borst in een scherpe, rechte rand over in donkerbruin, bij de witbrauwbabbelaar vervaagt het wit geleidelijk in vuilgrijsbruin. Halls babbelaar is bovendien donkerder van boven, zijn wenkbrauwstreep is breder en helderder wit, en hij is gemiddeld iets groter. De grijskruinbabbelaar (Pomatostomus temporalis) is duidelijk groter, heeft een grijzige kruin met een lichte middenstreep en toont in de vlucht een grote roodbruine vleugelvlek die deze soort mist. De roodkruinbabbelaar (Pomatostomus ruficeps) heeft een kastanjebruine kruin en twee witte vleugelstrepen. Een tweede houvast is het areaal: deze soort is de babbelaar van de mulga van het zuidwesten van Queensland en het uiterste noordwesten van Nieuw-Zuid-Wales en komt nergens anders voor.

Leefgebied

Mulga: het open acaciastruweel van Acacia aneura op stenige richels en roodzandvlakten, met plaatselijk wat eucalyptus ertussen. Hij is honkvaster aan dit ene vegetatietype dan de andere babbelaars en verdwijnt waar de mulga is opgeruimd voor veeteelt. De groep telt doorgaans vier tot twaalf vogels en broedt coöperatief: één paar legt, de rest helpt voeren en verdedigen. De groep bouwt grote, overkoepelde takkennesten met een zijingang, zowel om in te broeden als om in te slapen; vaak staan er meerdere in hetzelfde terrein. Het voedsel bestaat uit insecten die van de grond, van omgevallen hout en van onder losse bast worden gehaald.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Een klein, aaneengesloten areaal in het binnenland van oostelijk Australië: het zuidwesten van Queensland — de streek rond Charleville, Quilpie en Cunnamulla — zuidwaarts tot het uiterste noordwesten van Nieuw-Zuid-Wales. Binnen dat gebied is hij plaatselijk gewoon waar de mulga nog aaneengesloten staat, maar hij is nergens talrijk en het areaal is het kleinste van de drie babbelaars in deze ronde. Hij is standvogel en de groepen houden het hele jaar hetzelfde terrein aan.

  • Jaarrond
  • Winter
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek de groep op het geluid en beoordeel dan de borst. Rijd langs een mulgaweg in het Charleville–Quilpie-gebied, stop waar u gebabbel hoort, en wacht tot de vogels achter elkaar de weg oversteken. Kijk op dat moment naar de overgang van wit naar bruin op de onderzijde: een mes-scherpe grens betekent deze soort, een vervagende grens de witbrauwbabbelaar. Let er ook op dat de wenkbrauwstreep breed en zuiver wit is. Doe die beoordeling niet in tegenlicht — dan verdwijnt juist dit kenmerk.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). Het areaal is klein maar aaneengesloten en ligt grotendeels in dunbevolkt veeteeltgebied. Het risico is niet de jacht of vergiftiging maar het verdwijnen van de mulga zelf: het rooien van acaciastruweel voor weidegrond en zwaar begrazen dat de ondergroei en het dode hout wegneemt waarin hij zijn voedsel zoekt. Groepen die te klein worden verliezen bovendien de helpers die het coöperatieve broeden draagt, waardoor een gedund gebied langzamer herstelt dan de aantallen doen vermoeden.

Wetenschappelijke naam

Pomatostomus halli | Cowles, 1964

Cowles beschreef de soort in 1964 in The Emu, op materiaal dat was verzameld tijdens de Harold Hall-expedities van het British Museum naar Australië. De soortnaam halli en de Nederlandse en Engelse naam eren Harold Wesley Hall, de Australische zakenman die die expedities betaalde. Pomatostomus is gevormd uit Grieks poma (deksel) en stoma (mond), naar de bouw van de snavel. Tot die beschrijving werden deze vogels voor witbrauwbabbelaars gehouden; het is daarmee een van de laatste vogelsoorten van het Australische vasteland die nieuw voor de wetenschap werden benoemd.