Alle soortenEendachtigenEenden, ganzen en zwanen › Knobbelzwaan

Knobbelzwaan | Cygnus olor

Mute Swan | Cisne vulgar

De knobbelzwaan is hier geen inheemse vogel maar een Europese siervogel die is losgelaten en op een paar plekken is blijven hangen. Hij is onmiskenbaar: helemaal wit, met een oranjerode snavel, een zwart masker van het oog naar de snavel en een zwarte knobbel op het voorhoofd. In een werelddeel waar de zwaan zwart hoort te zijn, valt een witte zwaan meteen op.

Knobbelzwaan (Cygnus olor)
Foto: W. Bulach — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Ondanks zijn naam is hij niet stom, maar wel stil vergeleken met andere zwanen. Hij snuift en gromt, sist hard bij verdediging van nest of jongen, en laat af en toe een schor fluitend geluid horen. Het kenmerkendste geluid maakt hij niet met de keel maar met de vleugels: in de vlucht geven de slagpennen een zwaar, ritmisch zoemen dat op stille dagen over een of twee kilometer te horen is — bij de zwarte zwaan ontbreekt dat.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een reusachtige, geheel witte zwaan van ruim een meter twintig tot ruim anderhalve meter, met een spanwijdte tot tegen de twee en een halve meter; het mannetje weegt elf tot vijftien kilo, het vrouwtje acht tot negen. De snavel is oranjerood met een zwarte basis en draagt daarboven een zwarte knobbel, die bij het mannetje duidelijk groter is. Kenmerkend is de houding: de hals wordt in een sierlijke S gebogen en de snavel omlaag gericht, terwijl andere zwanen de hals recht omhoog houden. Jonge vogels zijn vuilgrijsbruin met een grijze snavel zonder knobbel, en worden pas in hun tweede jaar helemaal wit.

Verwarrings­soorten

Binnen dit gebied is de enige andere zwaan de zwarte zwaan (Cygnus atratus), die geheel zwart is met een rode snavel en in de vlucht witte handpennen toont — verwisseling is uitgesloten zodra je de vogel ziet. Verwarring ontstaat eerder met witte, verwilderde tamme ganzen op parkvijvers, met de grauwe gans (Anser anser) in zijn witte erfvorm en met de Australische pelikaan (Pelecanus conspicillatus) op afstand; alle drie zijn veel korter in de hals en missen de zwarte knobbel. Jonge knobbelzwanen zijn op afstand grijzig en worden dan soms voor jonge zwarte zwanen aangezien, maar die zijn donkerder en hebben een grijze in plaats van rozige snavel.

Leefgebied

Rustig of langzaam stromend zoet water: meren, kustlagunes, stadsvijvers, parken en de tragere rivieren. Hij drijft het grootste deel van de dag en graast met de lange hals ondergedoken waterplanten af, aangevuld met gras op de oever. Het nest is een grote hoop plantenmateriaal in ondiep water of op een oevertje, en het paar blijft er jaren achtereen bij. Waar hij zich handhaaft, is dat vrijwel altijd op water dat door mensen is aangelegd of beheerd.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Binnen dit kaartvenster gaat het om een handvol verspreide, kleine verwilderde standen, in beide landen samen waarschijnlijk minder dan tweehonderd vogels per land. In Nieuw-Zeeland zijn er twee die zichzelf in stand houden: ongeveer tachtig vogels op Te Waihora (Lake Ellesmere) in Canterbury en zo'n twintig in Hawke's Bay; daarnaast zitten halfwilde vogels rond de oude uitzetplaatsen. In Australië is de bekendste groep die van de Avon bij Northam in West-Australië, waar de witte zwaan het beeldmerk van het stadje is; verder gaat het om losse parkvogels en ontsnapte siervogels in Victoria, Tasmanië en Zuid-Australië, zonder gevestigd wild areaal.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem niet in natuurgebied maar op stadswater en op de plek waar hij ooit is uitgezet: de Avon dwars door Northam, de zuidoever van Te Waihora en de vijvers van oude landgoederen. Elke witte zwaan in Australië of Nieuw-Zeeland is per definitie deze soort, maar kijk toch even naar de snavel, want verwilderde witte ganzen op parkvijvers halen van een afstand nog weleens een streep door de rekening. Het beste moment is de winter, wanneer de vogels zich op het open water verzamelen.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (LC), maar dat zegt weinig over de vogels hier, want die vormen geen natuurlijke stand. De knobbelzwaan werd in de negentiende eeuw als siervogel ingevoerd voor parken, landgoederen en botanische tuinen: in Nieuw-Zeeland gedocumenteerd voor Canterbury in 1866, Otago in 1868–69 en Auckland in 1869 en 1871. De Nieuw-Zeelandse stand is klein en loopt terug door predatie en uitbraken van botulisme; de wettelijke bescherming werd in 2010 verlaagd. In Australië stortte de kolonie aan de Avon in van tachtig vogels in de jaren tachtig tot minder dan tien rond 2015, door ziekte en inteelt, waarna met gefokte vogels uit de dierentuin van Melbourne is bijgezet. Nergens in het gebied geldt hij als schadelijke exoot, anders dan in Noord-Amerika.

Wetenschappelijke naam

Cygnus olor | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Anas olor, in de dertiende uitgave van het Systema Naturae; omdat ze in 1803 door Bechstein naar Cygnus werd overgebracht, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Zowel Cygnus als olor betekent 'zwaan' — het eerste uit het Griekse kuknos, het tweede rechtstreeks Latijn. De typelocatie ligt in Rusland en Siberië en aan de Perzische kust van de Kaspische Zee. De Nederlandse naam wijst op de knobbel op het voorhoofd, de Māori-naam wāna is een leenwoord uit het Engelse swan.