Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Krombekstrandloper
Krombekstrandloper | Calidris ferruginea
Curlew Sandpiper | Correlimos zarapitín
De krombekstrandloper is de sierlijkste van de middelgrote strandlopers van dit gebied: hoog op de poot, lang in de hals, en met een zwarte snavel die over zijn hele lengte gelijkmatig naar beneden buigt. Wie hem laat opvliegen ziet het tweede handelsmerk: een zuiver witte, vierkante stuitvlek. Hij stond vroeger in troepen van duizenden op de Australische wadden en is daar in enkele tientallen jaren sterk uitgedund.
Geluid
Een zacht, rollend en aangenaam tsjirrup, vaak twee- of driemaal herhaald bij het opvliegen; muzikaler en voller dan het scherpe geknars van de kleine strandlopers, en op een gemengde rustplaats vaak het eerste wat zijn aanwezigheid verraadt.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Achttien tot drieëntwintig centimeter, slank en langbenig. De snavel is zwart, tweeëndertig tot vierenveertig millimeter lang, en buigt vloeiend en over de hele lengte omlaag — niet met een knik alleen in de punt; dat is het kenmerk waarop de soort is genoemd en waarmee hij in elk kleed te herkennen is. De poten zijn zwart en duidelijk langer dan bij welke strandloper hier ook, zodat de voeten in de vlucht voorbij de staart uitsteken. In rustkleed is de bovenzijde effen grijsbruin met lichte veerzomen, de onderzijde wit, met een opvallende witte wenkbrauwstreep. De witte stuitvlek loopt als een brede band over de staartbasis en is in alle kleden zichtbaar. In broedkleed worden kop, hals en onderzijde diep roestrood met witte veertoppen.
Verwarringssoorten
De gebogen snavel scheidt hem van bijna alles, maar let op de gelijkenissen. De roodkeelstrandloper (Calidris ruficollis) is duidelijk kleiner, korter van poot, heeft een rechte korte snavel en een grijze, in het midden donkere stuit. De breedbekstrandloper (Calidris falcinellus) heeft een even lange maar anders gevormde snavel, die alleen in de punt omlaag knikt, en verder een gespleten wenkbrauwstreep en veel kortere poten. De ijslandse strandloper (Calidris canutus) is gedrongener, met een korte rechte snavel en een grijs gebandeerde stuit. De gestreepte strandloper (Calidris melanotos) heeft gele poten en een scherp afgesneden borstband. Bij twijfel op afstand: laat de troep opgaan en kijk naar de stuit — wit en aaneengesloten hoort bij deze soort.
Leefgebied
Bij eb droogvallende slikplaten van estuaria, lagunen en mangrovekreken, en daarnaast ondiepe brakke poelen, zoutwinningsbekkens, samphirevlakten en stranden. Anders dan de meeste wadstrandlopers wijkt hij ook uit naar binnenlandse meren, dammen en ondergelopen vlakten na regen, waar hij tot buikhoogte in het water waadt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Een zomergast rond vrijwel de hele Australische kust, met zwaartepunten in het uiterste zuidoosten — Port Phillip Bay met de bezinkvelden van Werribee, en de Coorong — en in het noordwesten, waar op Eighty Mile Beach tellingen van rond de achtduizend vogels zijn gedaan. Ook goed stroomopwaarts van de kust te vinden, op wetlands van het Murray-Darlingbekken. In Nieuw-Zeeland bereiken waarschijnlijk minder dan veertig vogels per zomer het land, met de Manukau Harbour en Lake Ellesmere als bolwerken en zelden meer dan twee of drie overwinteraars. Hij arriveert in september en oktober en is met een vertrek in april tot begin mei een van de laatste steltlopers die weggaan.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Loop op een rustplaats de troep roodkeelstrandlopers langs en zoek de vogel die er een maatje bovenuit steekt en hoger op de poot staat; richt de kijker dan op de snavel. Werkt dat niet, wacht dan tot de troep opgaat: de witte stuit springt er op elke afstand uit. In maart zijn de eerste rode broedkleden al te zien.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar (VU) op de wereldlijst, en in Australië onder de nationale natuurwet als ernstig bedreigd aangemerkt. Op Australische telplaatsen zijn de aantallen sinds de jaren tachtig met tientallen procenten tot ruim de helft teruggelopen, en in Nieuw-Zeeland is van troepen van honderden nauwelijks iets over. De hoofdoorzaak ligt op de trekroute: de inpoldering van de getijdenplaten van de Gele Zee neemt de tussenstop weg. Daarbovenop komt dat het broedsucces op de Siberische toendra meebeweegt met de lemmingcyclus — in lemmingarme jaren schakelen vossen en jagers over op de nesten — zodat een slecht jaar meteen doorwerkt in de aantallen die hier aankomen.
Wetenschappelijke naam
Calidris ferruginea | (Pontoppidan, 1763)
Pontoppidan beschreef de soort in 1763 in zijn Danske Atlas als Tringa ferrugineus; door de overgang naar Calidris staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het epitheton komt van het Latijnse ferrugo, 'ijzerroest', naar het roodbruine broedkleed. Het geslacht Calidris gaat terug op het Griekse kalidris, een woord van Aristoteles voor grijze oevervogels. Een typelocatie legde Pontoppidan niet vast; zijn werk beschrijft de vogels van Denemarken. De Nederlandse en de Engelse naam wijzen allebei op dezelfde zaak: een strandloper met de gebogen snavel van een wulp.




