Alle soortenStormvogelachtigenPijlstormvogels › Magenta-stormvogel

Magenta-stormvogel | Pterodroma magentae

Magenta Petrel | Fardela taiko

De magenta-stormvogel, op de Chathameilanden tāiko genoemd, is een van de zeldzaamste zeevogels ter wereld: een donkergekapte gadfly-stormvogel van bijna veertig centimeter die honderdelf jaar lang alleen bestond als één balg uit 1867, en pas in 1978 weer levend werd gevonden. Hij broedt uitsluitend in het bos van zuidelijk Chatham Island en telt nog geen honderd volwassen vogels.

Magenta-stormvogel (Pterodroma magentae)
Foto: John Barkla — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op zee is hij stil, zoals vrijwel alle gadfly-stormvogels. In en bij het hol klinken ’s nachts lage kreunende tonen, ooooorr en uuuur, afgewisseld met hogere piepende geluiden — een repertoire dat sterk lijkt op dat van de donsstormvogel, wat de herontdekking destijds niet makkelijker maakte. Boven de kolonie roepen vliegende vogels in het donker; overdag is er niets te horen.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een middelgrote stormvogel van achtendertig centimeter en ongeveer vierhonderdvijftig gram, met een zware donkere kap die kop, nek en bovenborst bedekt en die scherp afsteekt tegen de witte onderdelen. Het voorhoofd is hoog en bol, de bovenzijde donker leigrijs en met de jaren bruin verkleurend; sommige vogels hebben een wit kinvlekje. Beslissend is de ondervleugel: die is geheel donkergrijs, zonder enige lichte vlek of spiegel. De snavel is fors en zwart, tweeëndertig millimeter lang en vijftien diep, met een scherpe haak. Vleugels lang en smal, staart lang en spits; de vlucht is de hoge, zwierende boogvlucht van het geslacht.

Verwarrings­soorten

Het beeld dat telt is de combinatie donkere kap, witte buik en éénkleurig donkere ondervleugel. De donsstormvogel (Pterodroma mollis) lijkt er het meest op, maar is kleiner en heeft duidelijk meer licht op kin en wangen en een grijze borstband in plaats van een gesloten kap. De kermadecstormvogel (Pterodroma neglecta) en de salvins-stormvogel (Pterodroma heraldica) hebben bij alle kleedvormen een lichte vlek aan de basis van de handpennen op de ondervleugel — de magenta-stormvogel heeft die nooit. De tahiti-stormvogel (Pseudobulweria rostrata) houdt de vleugels rechter en vliegt trager en slapper, terwijl gadfly-stormvogels de vleugel licht gebogen houden en snel en onstuimig vliegen. De bruine stormvogel (Procellaria cinerea) is groter en heeft een bleekgroene snavel. De chathamstormvogel (Pterodroma axillaris), die uit dezelfde eilandengroep komt, is veel kleiner en heeft juist een zwarte ondervleugelstreep tot in de zwarte oksels. Eerlijk gezegd is het onderscheid van een donsstormvogel op zee zo lastig, en zijn de waarnemingen zo schaars, dat vrijwel niemand er ervaring mee heeft kunnen opdoen.

Leefgebied

Op zee diep, warm tot gematigd water ver buiten het continentaal plat. Aan land is hij een bosvogel, wat voor een stormvogel ongewoon is: hij graaft zijn hol in veenachtige grond onder hoog, dicht bos met boomvarens, tot wel vijf kilometer landinwaarts, op hellingen en dalbodems en meestal dicht bij een waterloop. De holen liggen onder wortels en dichte ondergroei en zijn juist daardoor zo moeilijk te vinden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Binnen het venster van deze gids is hij praktisch beperkt tot de zee rond de Chathameilanden, want hij broedt alleen nog in het zuiden van Chatham Island zelf — in het Tuku-dal en het aangrenzende Sweetwater-terrein. Buiten het broedseizoen zwerft hij duizenden kilometers over de Stille Oceaan, van de Tasmanzee tot voor de kust van Zuid-Amerika en tot in tropisch water. Vanaf het Nieuw-Zeelandse vasteland is hij zo goed als nooit gezien.

  • Broedvogel (zomer)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Wees eerlijk tegen jezelf: de kans is vrijwel nul. De broedplaatsen liggen in particulier beschermd gebied en zijn niet vrij toegankelijk, en zoeken naar holen is schadelijk. De enige reële kans is een gerichte pelagische tocht bij de Chathameilanden, waarbij je bij elke donkergekapte stormvogel het onderlijf en de ondervleugel moet zien: wit onderlijf plus geheel donkere ondervleugel plus een zware zwarte snavel. Wie de soort echt wil helpen, steunt de Chatham Island Taiko Trust.

Staat van instandhouding

Ernstig bedreigd (CR) en daarmee de zwaarst bedreigde soort van deze hele cluster: het hele bestand telt minder dan tweehonderd vogels, waarvan naar schatting tachtig tot honderd volwassen. In de jaren negentig waren er ongeveer twintig bekende holen; in 2017 werden vierendertig paren gevolgd. De bedreigingen zijn alle ingevoerd: verwilderde katten, drie soorten ratten, verwilderde varkens die holen instampen, possums en de ingevoerde weka. Sinds 1987 wordt er intensief bestreden, met kattenklemmen en knaagdiergif; het Tuku Nature Reserve is afgerasterd tegen schapen en vee. In 2006 werd op Sweetwater een roofdierwerend hek gebouwd en daarbinnen zijn tussen 2007 en 2011 bijna zestig kuikens overgebracht, waarvan er inmiddels vogels als volwassen broedvogel zijn teruggekeerd — het begin van een tweede, veilige kolonie.

Wetenschappelijke naam

Pterodroma magentae | (Giglioli & Salvadori, 1869)

Giglioli en Salvadori beschreven de soort in 1869 naar één vogel die op 22 juli 1867 werd geschoten vanaf de Italiaanse korvet Magenta, halverwege Nieuw-Zeeland en Zuid-Amerika; magentae verwijst dus naar dat schip en niet naar een kleur. Omdat de soort oorspronkelijk in Oestrelata werd geplaatst, staan auteurs en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pterodroma werd in 1856 ingevoerd door Bonaparte, van het Griekse pteron (vleugel) en dromos (loper): de vleugelloper. Een exacte typelocatie is er niet, alleen een positie op open zee. De naam tāiko was op Chatham al generaties in gebruik voor een vogel die niemand kon tonen; David Crockett bracht naam en balg in 1978 weer bij elkaar toen hij een levende vogel ving.