Alle soorten › Stormvogelachtigen › Pijlstormvogels › Langvleugelstormvogel
Langvleugelstormvogel | Pterodroma macroptera
Great-winged Petrel | Petrel aligrande
De langvleugelstormvogel is de grote, geheel donkere Pterodroma-stormvogel van de zuidelijke Australische wateren: roetbruin van kop tot staart, met alleen een vaag grijs gezicht rond de snavelbasis. Hij broedt midden in de winter, wanneer de meeste andere zeevogels juist weg zijn.
Geluid
Op zee zwijgt hij. Boven en in de kolonie klinken 's nachts hoge fluittonen als wis-her en wik-wik, afgewisseld met lage, klagende oer-wik-kreunen die uit de holen komen.
Opname: Stewart Ford — CC BY-NC-SA 4.0 · Bremer Canyon, Australia · xeno-canto
Herkenning
Een forse stormvogel van ruim veertig centimeter met een spanwijdte van bijna een meter, geheel donker roetbruin tot zwartbruin, waarbij versleten veren bruiner en bleker ogen dan verse. Het enige lichte deel is een variabel grijs of vuilwit veld rond de snavelbasis, de kin en soms het voorhoofd, dat van dichtbij een grijs gezicht oplevert en op afstand verdwijnt. De snavel is kort, zwart en zwaar, met een grote scherpe haak; de staart is lang en wigvormig. Bij wind vliegt hij in hoge, steile bogen op stijve, ver naar achteren geknikte vleugels, met lange glijstukken en weinig slag.
Verwarringssoorten
Dit is een geslacht van donkere dubbelgangers. De Solanders stormvogel (Pterodroma solandri) is grijzer, heeft een duidelijk lichter, gekapt ogend gezicht en toont een witte flits aan de basis van de handpennen op de ondervleugel, die de langvleugelstormvogel mist. De donkere vorm van de kermadecstormvogel (Pterodroma neglecta) is kleiner en kortstaartiger en heeft witte schachten op de bovenkant van de handpennen. De kerguelenstormvogel (Aphrodroma brevirostris) is kleiner, glanzend leigrijs in plaats van bruin, met een fijnere snavel en een zilverwitte lijn langs de ondervleugelrand. Buiten het geslacht gaat het vooral om snavelkleur: de zwarte stormvogel (Procellaria parkinsoni), de westlandstormvogel (Procellaria westlandica) en de witkinstormvogel (Procellaria aequinoctialis) hebben alle een bleke, hoornkleurige snavel met donkere tekening en vliegen rechter en gestager, tegenover de geheel zwarte snavel en de buitelende vlucht van deze soort. De Australische grote pijlstormvogel (Ardenna carneipes) heeft een roze snavel met donkere punt en roze poten. Let op één taxonomisch punt: de donkere stormvogel van Noord-Nieuw-Zeeland, de grijsmaskerstormvogel (Pterodroma gouldi, de grey-faced petrel), geldt sinds 2014 als aparte soort en heeft in deze gids een eigen pagina; wie in Nieuw-Zeelandse wateren een donkere Pterodroma ziet, heeft vrijwel zeker die soort en niet deze. Die heeft gemiddeld meer en contrastrijker lichtgrijs op voorhoofd, kin en keel dan deze soort, maar op zee is dat verschil onbetrouwbaar: de overlapzone voor de kust van Zuidoost-Australië is slecht in kaart gebracht en vrijwel alle velddeterminaties berusten op gebied.
Leefgebied
Open zee boven diep water, van koel gematigd tot subtropisch, meestal buiten het continentaal plat maar in de winter ook tot boven de plaatrand. Broeden doet hij in zelfgegraven holen op eilanden, onder laag struweel, tussockgras (grasland van losse, hoge polvormende grassen, vooral in Nieuw-Zeeland) en op met vegetatie bedekte hellingen boven zeekliffen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Binnen dit gebied broedt de nominaatvorm op eilanden voor de zuidwestkust van West-Australië, waaronder Eclipse Island en Coffin Island bij Albany, en op eilandjes in de Archipel van de Recherche. De rest van de wereldpopulatie zit op de eilanden van de zuidelijke Indische en Atlantische Oceaan, van Tristan da Cunha en Gough tot Kerguelen. Op zee is hij het hele jaar door te zien langs de hele zuidkust van Australië, van West-Australië via de Grote Australische Bocht en Tasmanië tot voor Nieuw-Zuid-Wales, met de hoogste aantallen in de koude maanden. In Nieuw-Zeelandse wateren komt hij nauwelijks voor; daar neemt de grijsmaskerstormvogel (Pterodroma gouldi) zijn plaats in.
- Jaarrond
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Neem een pelagische tocht uit Albany, Portland, Eaglehawk Neck of Wollongong; deze soort is er het hele jaar en komt vaak dicht bij het aas. Zoek een grote, geheel donkere vogel met een korte zwarte snavel, een lange wigstaart en hoge, steile bogen, en let bij elke donkere vogel op de snavel: bleek met donkere tekening betekent een Procellaria, geheel zwart en kort betekent deze soort. Boven de broedeilanden is de soort in mei tot juli 's avonds te zien, midden in de Australische winter.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC), met een ruime verspreiding over vele eilandengroepen op drie oceanen. De bekende risico's zijn ook hier ingevoerde roofdieren op broedeilanden — katten en ratten vooral — en bijvangst achter beugschepen, waarvoor een 's nachts foeragerende soort als deze gevoelig is. Doordat de vogels midden in de winter broeden, valt de kwetsbaarste periode buiten het seizoen waarin de meeste eilanden worden bezocht, wat het toezicht bemoeilijkt maar de verstoring beperkt.
Wetenschappelijke naam
Pterodroma macroptera | (Smith, 1840)
De Schotse zoöloog Andrew Smith beschreef de soort in 1840 als Procellaria macroptera; omdat ze sindsdien in een ander geslacht staat, gaan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pterodroma werd in 1856 ingevoerd door Bonaparte, uit het Grieks voor 'vleugel' en 'loper'. macroptera betekent 'langvleugelig', naar de opvallend lange, smalle vleugel — de Nederlandse, Engelse en Spaanse naam geven alle drie hetzelfde weer. De typelocatie is ruim omschreven als de zeeën bij de Kaap.


