Alle soorten › Zangvogels › Honingeters › Maoribelhoningvogel
Maoribelhoningvogel | Anthornis melanura
New Zealand Bellbird | Mielero maorí
De maoribelhoningvogel of korimako is de stem van het Nieuw-Zeelandse bos: een compacte, olijfgroene honingeter van twintig centimeter met een rood oog, een korte gebogen snavel en een gevorkte staart, die bij het eerste licht een reeks heldere, klokkende tonen laat vallen. Het was dit geluid dat de bemanning van James Cook in 1770 beschreef als 'kleine belletjes, buitengewoon zuiver gestemd' — een ochtendkoor waarvan Cook zei dat het het mooiste was dat hij ooit had gehoord.
Geluid
Heldere, klinkende, metalige noten zonder het gegrom, gekraak en gepiep dat de zang van de toei doorbreekt: dat is het eenvoudigste onderscheid tussen beide. De zang bestaat uit korte reeksen van twee tot vijf zuivere tonen, vaak afgewisseld met een scherp tjink als contact- of alarmroep. Opvallend is dat de zang van streek tot streek verschilt: elke populatie heeft haar eigen dialect, en op afgelegen eilanden klinken de vogels hoorbaar anders dan op het vasteland. Vrouwtjes zingen ook, iets zachter en trager dan de mannetjes.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een middelgrote, gedrongen honingeter van twintig centimeter, met een korte, licht gebogen zwarte snavel, grijze poten, een rood oog en een duidelijk gevorkte staart. Het mannetje is olijfgroen met een donkere, paarsig glanzende kop en zwarte vleugels en staart. Het vrouwtje is bruiner en doffer, met een blauwige glans op de kop en — het handigste kenmerk — een smalle wit-gele streep over de wang, van de snavelbasis schuin naar achteren. Jonge vogels lijken op het vrouwtje maar hebben een bruin oog en een gele wangstreep. De vlucht is snel en direct, met een hoorbaar vleugelgeruis; in de boom beweegt hij rusteloos en hangt hij vaak ondersteboven aan een bloem.
Verwarringssoorten
De grote verwarring is de toei (Prosthemadera novaeseelandiae), die hetzelfde bos deelt en ook nectar drinkt: die is met dertig centimeter veel groter en zwaarder, glimt blauwzwart in plaats van olijfgroen en draagt twee witte pluimen aan de keel. In de zang is de toei te herkennen aan de hoestende, ratelende en knarsende tussenvoegsels; de klokkende noten van deze soort zijn zuiver en ononderbroken. Het doffe vrouwtje wordt door beginners weleens voor een grijsrugbrilvogel (Zosterops lateralis) aangezien, maar die is veel kleiner, heeft een witte oogring en mist de gevorkte staart en het rode oog. De verwante chathambelhoningvogel (Anthornis melanocephala) van de Chathameilanden was groter en donkerkoppig, maar is begin twintigste eeuw uitgestorven.
Leefgebied
Inheems bos in alle soorten: zuidelijk beukenbos, podocarpen-loofbos, kauribos en de struiklaag daaronder, plus manuka- en kanukastruweel en regenererend struikland. Hij is niet kieskeurig zolang er bloemen en vruchten zijn, en komt daarom ook in tuinen, stadsparken en exotenplantages, zeker waar kowhai, flax, fuchsia en later in het seizoen bessendragende struiken staan. In de bergen gaat hij tot aan de bosgrens.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Endemisch in Nieuw-Zeeland. Op het Zuidereiland is hij de meest wijdverbreide en vertrouwde honingeter en vrijwel overal aanwezig waar bos staat, met een gat in de aangelegde Canterburyvlakte; op het Noordereiland is hij algemeen ten zuiden van de Waikato maar schaars daarboven, in Northland vrijwel afwezig. Hij zit verder op Stewarteiland, de Auckland-eilanden en op vele kusteilanden. Drie ondersoorten worden onderscheiden: de wijdverbreide melanura, de vorm oneho van de Manawatawhi/Three Kings en de vorm obscura van de Poor Knights. Hij verplaatst zich met de bloei, van de kust het bergbos in en terug.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga in een Nieuw-Zeelands bos of een tuin met kowhai bij zonsopgang staan en luister: het ononderbroken, zuiver klokkende deuntje is hij, het klokken met gekraak en gehoest ertussen is de toei. Zie je alleen een silhouet, kijk dan naar de staart — de vork is bij de maoribelhoningvogel duidelijk, bij de toei niet. Op een roofdiervrij eiland als Tiritiri Matangi of Ulva Island staan de aantallen zo hoog dat je hem nauwelijks kunt missen.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC) op de internationale Rode Lijst en niet bedreigd (Not Threatened) in het Nieuw-Zeelandse systeem; de twee eilandondersoorten gelden wel als risicosoort, van nature schaars (At Risk, Naturally Uncommon), simpelweg omdat ze op een paar vierkante kilometer zitten. Dat is een rustiger beeld dan de negentiende eeuw beloofde: tussen ongeveer 1860 en 1900 stortte de stand in, te beginnen in het noorden, en op veel plaatsen verdween de vogel geheel. De oorzaak is nooit helemaal opgehelderd, maar de zwarte rat wordt als belangrijkste verdachte genoemd. Vanaf ongeveer 1910 herstelde de soort zich op het vasteland grotendeels weer, al is ze in Northland en op de Canterburyvlakte nooit teruggekomen. Predatiebestrijding en roofdiervrije eilanden leveren nu de dichtste populaties op, en in beheerde gebieden neemt hij toe.
Wetenschappelijke naam
Anthornis melanura | (Sparrman, 1786)
Anders Sparrman beschreef de soort in 1786 als Certhia melanura, naar materiaal van Cooks tweede reis; omdat ze later naar een eigen geslacht verhuisde, staan auteur en jaartal tussen haakjes. melanura is Grieks voor 'zwartstaart', uit melas, zwart, en oura, staart. Het geslacht Anthornis werd in 1840 ingesteld door George Robert Gray, uit anthos, bloem, en ornis, vogel: de bloemvogel. In het Maori heet hij korimako, komako of makomako, en de Nederlandse en Engelse namen verwijzen allebei naar het belgeluid. Het spreekwoord me te korimako e ko ana — 'als de zingende korimako' — wordt gebruikt voor iemand die welsprekend is.



