Alle soorten › Zangvogels › Doornsnavels en verwanten › Maorimangrovezanger

Maorimangrovezanger | Gerygone igata

Grey Gerygone | Gerigón maorí

De maorimangrovezanger, in Nieuw-Zeeland riroriro geheten, is de enige mangrovezanger van het Nieuw-Zeelandse vasteland en daarmee de eenvoudigste van het hele geslacht: elk klein grijs vogeltje dat in een Nieuw-Zeelands bos of in een Nieuw-Zeelandse tuin een lange, wankele triller laat horen, is deze soort. Hij is overal waar bomen of struiken staan, van het noordelijke kauribos tot de laatste manuka op een Zuidereilandse helling, en hij is de enige gastheer die de gouden bronskoekoek op het vasteland heeft.

Maorimangrovezanger (Gerygone igata)
Foto: Rosa Stewart — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is kenmerkend: een lange, hoge, wat weemoedige triller die aanzwelt en weer wegzakt en die voor zo'n klein vogeltje luid is. Alleen het mannetje zingt hem; het vrouwtje laat korte tsjilpende contactroepjes horen en de jongen op het nest een hoog, dringend bedelgeluid. In het Nieuw-Zeelandse bos is deze triller veelvuldig te horen, vaak zonder dat de vogel zichtbaar is; geen andere soort daar klinkt zo.

Luister: ZangXC1063601

Opname: craig wilson — CC BY 4.0 · Millerton Dam Walk (near Millerton), Buller District, West Coast Region, New Zealand · xeno-canto

Herkenning

Elf centimeter en vijf en een halve tot zes en een halve gram: een van de kleinste vogels van Nieuw-Zeeland. De bovendelen zijn olijfgrijs, het gezicht grijs, de onderdelen vuilwit. De staart is donkerder grijs met witte punten, die in de vlucht als een duidelijke witte band oplichten — het beste kenmerk op afstand. De snavel is fijn en spits, de poten slank en zwart, en het oog is helder rood. Man en vrouw zien er gelijk uit. Hij foerageert in het middelste en hoogste deel van het kroondak en bidt daarbij veel, hangend voor de bladpunten.

Verwarrings­soorten

Op het Nieuw-Zeelandse vasteland is verwarring met een andere Gerygone onmogelijk: hij is de enige. De chathammangrovezanger (Gerygone albofrontata) van de Chathameilanden is groter, heeft bij het mannetje een wit voorhoofd, kent verschillende kleden voor man, vrouw en jonge vogel en bidt juist zelden; overlap is er niet. De norfolkmangrovezanger (Gerygone modesta) van Norfolk Island is zijn zustersoort en werd vroeger met hem als één soort behandeld; ook die is geografisch volledig gescheiden. In het veld is de echte verwarring een andere: de grijsrugbrilvogel (Zosterops lateralis) is ongeveer even klein en even druk, maar heeft een witte oogring en groenere flanken, en de jonge gouden bronskoekoek (Chalcites lucidus) die door deze soort wordt grootgebracht, is veel groter en gebandeerd op de onderdelen. Van de Australische soorten bereikt geen enkele het Nieuw-Zeelandse vasteland, zodat de witbrauwmangrovezanger (Gerygone levigaster), de dikbekmangrovezanger (Gerygone magnirostris) en de bruine mangrovezanger (Gerygone mouki) hier geen rol spelen.

Leefgebied

Overal waar bomen of struiken staan. New Zealand Birds Online noemt hem ronduit alomtegenwoordig op de drie hoofdeilanden en op de meeste kusteilanden: inheems podocarpen-loofbos, beukenbos, manuka- en kanukastruweel, exotische aanplant, stadstuinen en parken. Alleen het alpiene tussockland (grasland van losse, hoge polvormende grassen, vooral in Nieuw-Zeeland) boven de boomgrens blijft leeg. Hij eet kleine insecten en spinnen die hij van bladeren en twijgen plukt, vaak biddend. Het nest is een gesloten, hangende koepel met een zijingang, door het vrouwtje gebouwd op twee tot vier meter hoogte; er wordt van augustus tot januari gebroed, in het noorden één broedsel per jaar en op het Zuidereiland doorgaans twee.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Endemisch in Nieuw-Zeeland en daar verspreid over het Noordereiland, het Zuidereiland, Stewarteiland en de meeste kusteilanden. Op de Chathams wordt hij vervangen door de chathammangrovezanger. Hij is standvogel en blijft het hele jaar in hetzelfde gebied, al zwerven jonge vogels na het uitvliegen wel rond. Hij is een van de weinige inheemse zangvogels van Nieuw-Zeeland die zich in het door de mens omgevormde landschap volledig heeft kunnen handhaven.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Leer de triller en je kent de soort. Loop een bospad op, blijf staan zodra je hem hoort en zoek dan hoog in het blad naar beweging: een klein grijs vogeltje dat voor de bladpunten blijft hangen te bidden. De witte staartpunten lichten op zodra hij draait. Een tweede aanwijzing is het tweede broedsel op het Zuidereiland: wie in november of december een riroriro ziet die onophoudelijk voedsel aandraagt voor een veel te grote, gebandeerde jonge vogel, kijkt naar een gouden bronskoekoek die door deze soort wordt grootgebracht.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC) op de IUCN-lijst, en ook de Nieuw-Zeelandse classificatie noemt hem niet bedreigd (Not Threatened). Dat is bijzonder: de meeste inheemse Nieuw-Zeelandse landvogels zijn door ingevoerde ratten, hermelijnen en possums (klimbuideldier) zwaar teruggedrongen, en deze soort is een van de uitzonderingen. De verklaring ligt waarschijnlijk in het hangende, gesloten nest hoog in het blad, dat voor klimmende zoogdieren lastiger te bereiken is dan een open kom, en in de brede habitatkeuze, waardoor ook aangeplante en stedelijke beplanting meetelt. Broedparasitisme door de gouden bronskoekoek kost broedsels, maar bedreigt de stand niet.

Wetenschappelijke naam

Gerygone igata | (Quoy & Gaimard, 1832)

Quoy en Gaimard beschreven de soort in 1832; omdat ze oorspronkelijk in een ander geslacht werd geplaatst, staan auteurs en jaartal tussen haakjes. Het epitheton igata heeft geen duidelijke klassieke betekenis en de herkomst wordt hier daarom opengelaten. De geslachtsnaam Gerygone wordt gewoonlijk als 'geboren uit zang' gelezen, wat bij deze soort beter past dan bij welke andere ook. De Maori-naam riroriro volgt de zang. De Engelse naam wisselt: New Zealand Birds Online voert hem als grey warbler, deze gids als Grey Gerygone. De Nederlandse naam maorimangrovezanger en de Spaanse gerigón maorí kiezen beide het volk in plaats van de vogel; het element mangrovezanger is hier zonder grond, want in Nieuw-Zeeland groeit mangrove alleen in het uiterste noorden en deze vogel is er niet aan gebonden.