Alle soorten › Steltloperachtigen › Plevieren › Maskerplevier
Maskerplevier | Thinornis melanops
Black-fronted Dotterel | Chorlitejo frentinegro
De maskerplevier is de kleinste van de drie zwartgemaskerde plevieren van dit gebied en de enige die je ver van zee vindt: een miniatuurtje van zoetwaterranden, kiezelige oevers en zelfs afvalwaterbekkens, met een zwart masker, een zwarte punt op de borst en een kastanjebruine streep over de schouder. Hij is het hele jaar door hetzelfde gekleurd, wat bij steltlopers zeldzaam is.
Geluid
De roep is een scherp, metaalachtig tip, één keer of drie tot vier keer snel achter elkaar, als het tikken van twee kiezels tegen elkaar. Bij het opvliegen klinkt hij hoger en sneller, en bij het nest gaat hij over in een aanhoudend getik. Verder is de vogel opvallend zwijgzaam.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een kleine plevier van zestien tot achttien centimeter met een laag, horizontaal postuur. Het gezicht draagt een zwart voorhoofd en een zwart masker dat door het oog loopt, en over de borst staat een zwarte band die in het midden als een scherpe V naar beneden wijst. De rug is gevlekt bruin met een opvallende kastanjebruine streep over de schouderveren. De snavel is kort en rood met een zwarte punt, om het donkere oog staat een rode ring en de poten zijn bleek oranjeroze. In de vlucht lijkt hij breedvleugelig en kortstaartig, met een duidelijke witte vleugelstreep. Jonge vogels missen de borstband nog en krijgen die eerst in bruin.
Verwarringssoorten
Binnen het Thinornis-drietal is hij de kleinste en de enige met een schouderstreep. De zwartkopplevier (Thinornis cucullatus) is groter, heeft een volledig zwarte kop met witte nekband en staat aan de oceaanbranding, niet aan zoet water. De nieuw-zeelandse plevier (Thinornis novaeseelandiae) heeft eveneens een zwart masker, maar dat masker loopt door over de keel en wordt omzoomd door een witte band rond de kop; bovendien is hij een kustvogel van Nieuw-Zeelandse eilanden, zodat verwarring in Australië niet kan optreden. Van de Anarhynchus-plevieren houd je hem uit elkaar op de V-vormige borstband en de rode snavelbasis: de dubbelbandplevier (Anarhynchus bicinctus) draagt twee rechte banden en heeft een geheel donkere snavel, en de roodkopplevier (Anarhynchus ruficapillus) is bleker, heeft een roestrode kruin en staat aan zoute kust.
Leefgebied
De ondiepe randen van zoet binnenwater: de kiezelbanken en zandruggen in rivieren en kreken, de oevers van stuwmeren, dammen en poelen, claypans, moerasranden en heel gewoon de bezinkbekkens van rioolwaterzuiveringen en stedelijke regenwaterbuffers. Hij mijdt de kust vrijwel geheel. Zijn voedsel bestaat uit waterinsecten, kleine weekdieren en zaden, die hij al rennend en stilstaand van de bodem pikt, met het lijf laag en de kop knikkend.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Wijdverspreid over heel het Australische vasteland en Tasmanië, tot in het droge binnenland zolang er ergens water staat; hij ontbreekt alleen op de meest waterloze stukken. In Nieuw-Zeeland is hij een nieuwkomer die uit zichzelf is overgestoken: het eerste paar werd in 1954 in Hawke's Bay gevonden, en tegen de jaren zeventig zat de soort ook op het Zuidereiland, waar hij zich vooral in de vlechtende rivieren heeft gevestigd. Daarmee is hij een van de weinige vogels die de Tasmanzee in recente tijd op eigen kracht hebben gekoloniseerd.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem niet aan zee maar aan de rand van elk stuk zoet water: een dam op een veehouderij, een rioolwaterzuivering, de kiezelbank in een droogvallende kreek. Loop de oeverlijn rustig af en let op beweging in plaats van op kleur, want de gevlekte rug valt tussen kiezels volledig weg; zodra hij een paar passen rent, geeft het zwarte masker hem prijs.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC), met een stabiele en zelfs toenemende stand. Hij hoort tot het kleine gezelschap vogels dat van menselijk waterbeheer profiteert: veedrinkpoelen, stuwmeren en afvalwaterbekkens hebben zijn leefgebied in het binnenland eerder uitgebreid dan ingekrompen, en dat verklaart mede waarom hij Nieuw-Zeeland zonder hulp heeft kunnen bereiken en houden.
Wetenschappelijke naam
Thinornis melanops | (Vieillot, 1818)
Vieillot beschreef de soort in 1818 als Charadrius melanops in de Nouveau Dictionnaire d'Histoire Naturelle; door de latere verplaatsing staan auteur en jaartal tussen haakjes. melanops is Grieks voor 'zwartgezicht', van melas, 'zwart', en ops, 'gezicht'. Vieillot noemde als herkomst alleen 'Terres Australes'; Mathews legde die typelocatie vast op Nieuw-Zuid-Wales. De soort stond lang alleen in het geslacht Elseyornis, genoemd naar Joseph Ravenscroft Elsey, arts en natuuronderzoeker van de Noord-Australische expeditie van Gregory; een moleculaire studie uit 2022 bracht haar over naar Thinornis, dat Gray in 1844 invoerde uit het Griekse thinos, 'strand of zand', en ornis, 'vogel'.




