Alle soortenKraanvogelachtigenRallen › Meerkoet

Meerkoet | Fulica atra

Eurasian Coot | Focha común

De meerkoet is de ronde, roetzwarte watervogel met het sneeuwwitte voorhoofdschild, en een van de weinige vogels die deze gids deelt met die van Europa: dezelfde soort, hier vertegenwoordigd door de ondersoort australis. Hij duikt naar waterplanten, ruziet luidruchtig met alles wat te dichtbij komt en heeft Nieuw-Zeeland uit eigen beweging gekoloniseerd, met de eerste broedgevallen in 1958.

Meerkoet (Fulica atra)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De gewone roep is een luid, hard en wat wanklinkend kowk of krark, dat losse vogels over het water naar elkaar toe roepen en dat 's nachts van een meer af goed te horen is. Bij ruzie gaat dat over in een snelle reeks scherpe, blaffende kreten. Jongen bedelen met een aanhoudend, piepend gefluit dat vanaf de rietrand blijft doorgaan zolang de ouders in de buurt zijn.

Luister: Nachtelijke vluchtroepXC432890

Opname: Joost van Bruggen — CC BY-SA 4.0 · Arnhem, Arnhem, Gelderland, Netherlands · xeno-canto

Herkenning

Een ronde, gedrongen watervogel van 32 tot 39 cm, geheel roetzwart tot donkergrijs, met een kop die zwarter is dan de rest. Snavel en voorhoofdschild zijn helder wit en vormen op elke afstand het beslissende kenmerk; het oog is diep rood. De tenen dragen gelobde zwemvliezen, die je ziet als de vogel op de kant loopt. Voor het opvliegen rent hij eerst kletterend over het water. Jonge vogels zijn grijzer met een witte keel en een nog vaal schild; donsjongen hebben een kale, roodoranje kop.

Verwarrings­soorten

Het zwart waterhoen (Gallinula tenebrosa) zwemt in hetzelfde water en is even donker, maar heeft een rood schild, een rode snavel met gele punt en witte vlekken onder de staart. De purperkoet (Porphyrio porphyrio) is veel groter en blauw. De australische dodaars (Tachybaptus novaehollandiae) duikt eveneens, maar is half zo groot, spits van snavel en zwemt veel lager op het water. In de vlucht is de meerkoet aan de witte achterrand van de vleugel te herkennen.

Leefgebied

Open zoet water met begroeide oevers: meren, stuwmeren, kratermeren, lagunes, trage riviergedeelten en rioolwaterbekkens, en in de stad elke park- of golfbaanvijver die diep genoeg is. Hij heeft ruim water nodig om te duiken en riet of bies om in te nestelen; het nest is een drijvende bult plantenmateriaal, aan de rietrand vastgezet. Buiten de broedtijd graast hij ook op gazons en oevers vlak bij het water.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

In Australië over het zuiden en oosten en verspreid tot in het binnenland waar permanent water staat; in het noorden en in de droogste streken is hij schaars. Nieuw-Zeeland heeft hij zelf bereikt: losse vogels sinds 1875, het eerste broedgeval in 1958 bij Lake Hayes in Otago, waarna hij zich over de meren van beide eilanden verspreidde. Daarbuiten strekt de soort zich als geheel uit over Europa, Azië, Noord-Afrika en Nieuw-Guinea. In Australië zwerft hij met de droogte mee.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek op elk groot open water naar de witte stip: het schild is bij fel zonlicht en op honderden meters afstand nog te zien, ook als de vogel verder helemaal in tegenlicht ligt. Tel op een meer de duikers en let op de duur — een meerkoet blijft doorgaans maar tien tot vijftien seconden weg en komt vaak met een sliert waterplant boven. In Nieuw-Zeeland loont het de moeite om op de meren van Otago en Canterbury te kijken; daar begon de vestiging.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC) op wereldschaal. In Australië is hij talrijk en profiteert hij van stuwmeren, rioolbekkens en stadsvijvers; in droge jaren concentreren grote aantallen zich op het weinige water dat overblijft, wat het beeld van sterke schommelingen geeft. In Nieuw-Zeeland is hij als jonge kolonist nog altijd schaars — de nationale lijst voert hem als naturally uncommon — en daar zijn het vooral het waterpeilbeheer en de vertroebeling van meren die tellen.

Wetenschappelijke naam

Fulica atra | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Fulica atra, en in dat geslacht staat ze nog steeds, zodat auteur en jaartal zonder haakjes blijven. Fulica is het klassiek Latijnse woord voor meerkoet, dat Linnaeus ongewijzigd als geslachtsnaam overnam. atra betekent 'zwart'. De typelocatie is Europa, later beperkt tot Zweden; de vogels van Australië en Nieuw-Zeeland behoren tot de ondersoort australis, die Gould in 1845 beschreef.