Alle soortenKraanvogelachtigenRallen › Olijfbruin waterhoen

Olijfbruin waterhoen | Amaurornis moluccana

Pale-vented Bush-hen | Gallineta filipina

Het olijfbruin waterhoen is de ral van het dichte struweel langs kreken en moerasranden in het noorden en oosten van Australië: doffe blauwgrijze kop en onderdelen, olijf- tot roodbruine rug en vleugels, en een bleke roodbruine onderstaart. De snavel is limoengroen. Hij is uiterst schuw en wordt in de praktijk veel vaker gehoord dan gezien.

Olijfbruin waterhoen (Amaurornis moluccana)
Foto: Nigel Voaden — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Zijn aanwezigheid verraadt zich bijna altijd door de stem: een luid, schor en snel herhaald wark-wark-wark, of een opgewonden wark-woep, wark-woep. Daarnaast klinken klokkende en klikkende geluiden en, vooral in de natte tijd, een gillend, bijna krijsend duet van een paar dat in de rietkraag verborgen blijft. De roep klinkt het meest bij dageraad, in de schemer en bij zwaar bewolkt weer.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een middelgrote ral van vijfentwintig tot dertig centimeter, met een doffe grijsblauwe kop, hals en borst en olijf- tot roodbruine vleugels en staart. De onderstaartdekveren zijn licht roodbruin tot roomkleurig en vormen samen met de kleur van de snavel het beste kenmerk: die snavel is limoengroen met in de broedtijd een kleine oranjerode schildbasis. De poten zijn olijfgeel, de iris roodbruin. Jonge vogels zijn bleker en doffer en missen het oranje aan de snavelbasis. Hij zwemt zelden en vliegt kort en laag, met bungelende poten.

Verwarrings­soorten

Het zwart waterhoen (Gallinula tenebrosa) is groter en veel donkerder, heeft een rood voorhoofdschild met rode snavelbasis, een witte flankstreep en zwemt open water op, terwijl het olijfbruin waterhoen aan de oever in de dekking blijft. De geelbandral (Gallirallus philippensis) is fijn zwart-wit gebandeerd, heeft een witte wenkbrauwstreep, een roestbruine oogstreep en een oranjebruine borstband. De driekleurige ral (Rallina tricolor) loopt in hetzelfde dichte groen van Noord-Queensland maar heeft een roodbruine kop en hals en zwart-wit gebandeerde flanken. Blijft er alleen een schim over, dan beslissen de groene snavel en de gele poten.

Leefgebied

Dichte, lage begroeiing aan de rand van kreken, poelen en moerassen: hoge grassen en riet, soms bamboe, verwilderde lantana-struwelen, ranken en de ondergroei van moessonbos en regenwoudrand. Hij gebruikt ook de overgroeide greppels en randen van suikerrietvelden en verwaarloosde tuinen aan het water, en komt tot ongeveer vijftienhonderd meter hoogte. Open water en kale oever mijdt hij.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

De kust- en subkustzone van Kaap York zuidwaarts door oostelijk Queensland tot in het noordoosten van Nieuw-Zuid-Wales, met de zuidgrens rond de Clarence- en Richmond-rivieren. In het Noordelijk Territorium is hij schaars in de Top End en in de Kimberley zeer schaars. Buiten het kaartvenster van deze gids ligt het grootste deel van het areaal: de Molukken, Nieuw-Guinea, de Bismarck-archipel en de Salomonseilanden. De Australische vogels horen tot de ondersoort ruficrissa.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga in de natte tijd, van november tot maart, bij het eerste licht naar een begroeide kreekbedding achter de kust van Noord-Queensland en blijf stilstaan: dan roept hij het meest. Kijk naar het smalle looppad dat hij door het gras maakt en wacht bij de opening — hij steekt een pad of een greppel in één beweging over. Wie hem uit de dekking probeert te jagen, ziet niets.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). Het wereldareaal is groot en de soort is in Nieuw-Guinea en op de eilanden gewoon; Australië is er maar een rand van. Regionaal ligt het gevoeliger: in Nieuw-Zuid-Wales geldt hij als kwetsbaar en in het Noordelijk Territorium als gevoelig. Drooglegging van kreekmoeras, het schonen van oevervegetatie en grootschalige bestrijding van lantana — juist de struiken waarin hij zich schuilhoudt — zijn daar de knelpunten.

Wetenschappelijke naam

Amaurornis moluccana | (Wallace, 1865)

Wallace beschreef de soort in 1865 als Porzana moluccana, met Ternate in de Molukken als typelocatie; ze staat nu in Amaurornis, zodat auteur en jaartal tussen haakjes blijven. Het geslacht Amaurornis is gevormd uit Grieks amauros, 'donker of schemerig', en ornis, 'vogel' — een naam naar het duistere kleed en de schemerige leefwijze. moluccana betekent 'uit de Molukken'; de Australische ondersoort heet ruficrissa, 'met roodbruine onderstaart'.