Alle soorten › Kraanvogelachtigen › Kraanvogels › Australische kraanvogel
Australische kraanvogel | Antigone rubicunda
Brolga | Grulla australiana
De Australische kraanvogel, in het gebied zelf brolga genoemd, is de kraanvogel van het noorden en het oosten: zilvergrijs, ruim een meter hoog, met een kale oranjerode band over het achterhoofd en een zwarte keelkwab. Hij danst het hele jaar door — een graspol die de lucht in gaat, een sprong met gespreide vleugels — en niet alleen om een partner te winnen.
Geluid
De roep is een luid, roestig trompetten dat kilometers ver draagt en lager van toon is dan dat van de saruskraanvogel: garoe-garoe, meestal door een paar in beurtzang uitgestoten met de kop in de nek. Bij het opvliegen klinkt een korte, harde blaf. Jonge vogels bedelen met een hoog, piepend fluiten dat tot ver in hun eerste jaar te horen blijft.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een kraanvogel van honderdtien tot honderdvijfentwintig centimeter, zilvergrijs, met zwarte handpennen en lichte zomen op rug en vleugeldekveren. De kop is kaal: een grijsgroene kruin en een oranjerode band die van achter het oog over de wangen tot op het achterhoofd loopt, met daaronder een zwart beborstelde keelkwab die bij oude mannetjes ver doorhangt. De poten zijn grijszwart en de snavel grijsgroen. Jonge vogels hebben een volledig bevederde kop zonder rood en een donker oog. In de vlucht houdt hij hals en poten gestrekt en cirkelt hij op thermiek omhoog.
Verwarringssoorten
De saruskraanvogel (Antigone antigone) is de enige echte verwarring en staat in Noord-Queensland op dezelfde stoppelvelden: bij hem loopt het rood van de kop een eind door op de hals en zijn de poten roze tot koraalrood, terwijl de brolga grijszwarte poten heeft en rood dat bij het achterhoofd ophoudt. De brolga heeft bovendien de zwarte keelkwab, die de saruskraanvogel mist, en roept een toon lager. In de vlucht kan een kraanvogel op afstand voor een reiger doorgaan, maar reigers trekken de hals in en kraanvogels houden hem gestrekt.
Leefgebied
Ondiepe zoetwatermoerassen, overstromingsvlakten en de randen van lagunes, daarnaast graslanden, geoogste akkers en kustwad. Hij kan zout water verdragen — bij het oog zit een klier die het zout uitscheidt — en foerageert daardoor ook in kwelder en mangrovekreek. Diep water en gesloten bos mijdt hij: hij heeft open zicht en waadbaar water nodig.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Tropisch Noord-Australië en het oosten tot in centraal Nieuw-Zuid-Wales en westelijk Victoria, plus zuidelijk Nieuw-Guinea. Zijn bewegingen zijn seizoensgebonden en slecht bekend: in het noorden broedt hij in de natte tijd en verzamelt hij zich in het droge seizoen, van juni tot oktober, in troepen bij permanent water. In het zuiden gaat het net andersom — daar staan de vogels van december tot mei in troepen bijeen en verspreiden ze zich pas met de winterregen van juni en juli over hun broedmoerassen.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga in het droge seizoen bij zonsopgang naar een permanente lagune in het Gulf-land of op de Atherton Tableland en wacht tot de troep van de slaapplaats naar de akkers loopt. Kijk in Noord-Queensland bij elke troep de koppen na: één vogel met rood dat doorloopt op de hals is een saruskraanvogel, en de twee staan er door elkaar.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC). Het noorden telt naar schatting twintig- tot honderdduizend vogels; de zuidelijke bevolking is met ongeveer duizend vogels klein en in Victoria als bedreigd aangemerkt. Drooglegging van moerassen, aanplant van blauwe gomboom in broedgebied, aanvaring met hoogspanningsdraden, beweiding en brand drukken vooral daar de aantallen, en windparken komen daar als zorg bij.
Wetenschappelijke naam
Antigone rubicunda | (Perry, 1810)
Perry beschreef de soort in 1810 als Ardea rubicunda, bij de reigers; ze heeft daarna lang Grus rubicunda geheten en staat nu in Antigone, zodat auteur en jaartal tussen haakjes blijven. Het geslacht Antigone werd in 1853 ingevoerd door Reichenbach, naar Antigone uit de Griekse verhalen, die in een langpotige vogel zou zijn veranderd. rubicunda betekent 'rood aanlopend', naar de kale kop. De typelocatie is Botany Bay in Nieuw-Zuid-Wales; de naam brolga komt uit het Gamilaraay, een taal van het noorden van Nieuw-Zuid-Wales.





