Alle soortenZangvogelsAustralische modderbouwers › Modderkraai

Modderkraai | Corcorax melanorhamphos

White-winged Chough | Corvino negro

De modderkraai is ondanks zijn naam geen kraai maar de grootste van de twee Australische modderneststbouwers: een dofzwarte vogel met een bloedrood oog, een dunne gekromde snavel en een witte vleugelvlek die pas in de vlucht opengaat. Hij leeft in vaste families van vier tot twintig vogels die samen één moddernest bouwen, samen broeden en samen één stel jongen grootbrengen.

Modderkraai (Corcorax melanorhamphos)
Foto: JJ Harrison — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het meest gehoorde geluid is een dalende, klagende fluittoon waarmee de familieleden elkaar door het bos volgen: wieuw, van dichtbij zacht en fluweelachtig, op afstand ijl en treurig. Bij onraad slaat de hele groep tegelijk over op een schor ratelend alarm, afgewisseld met sissen en krassen. Jonge vogels bedelen met een aanhoudend hoog gepiep dat de rest van de familie naar hen toe trekt.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een dofzwarte vogel van ruim veertig centimeter, met een lange staart, brede afgeronde vleugels en een slanke, licht neerwaarts gebogen zwarte snavel. Het oog is bloedrood en puilt bij opwinding zichtbaar uit; jonge vogels hebben een bruin oog dat pas in het vierde jaar rood wordt. In de vlucht springt in elke vleugel een grote witte handpenvlek open, en dat kenmerk beslist alles. De vlucht is traag en zwabberend, met veel glijden tussen boom en bodem.

Verwarrings­soorten

De australische raaf (Corvus coronoides) en de australische kraai (Corvus orru) zijn glanzend zwart met een wit oog, hebben een veel zwaardere rechte snavel en missen elke witte vleugelvlek; ze lopen bovendien zelden in dichte, luidruchtige families over de bosbodem. De bonte klauwierkraai (Strepera graculina) heeft geel oog en witte staartpunt. De enige familiegenoot, de grijze Struthidea cinerea, is kleiner, grijs in plaats van zwart en heeft een korte dikke snavel.

Leefgebied

Open droog eucalyptusbos en woodland met een dikke laag bladstrooisel, en rivierbos langs kreken waar rode gomboom en coolibah staan. Hij heeft twee dingen nodig die zelden samenvallen: strooisel dat vochtig genoeg blijft om er insecten uit te harken, en modder om het nest van te bouwen. Daarnaast loopt hij op beweid rangeland, in wegbermen en in ruime parken en dorpstuinen met oude bomen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Oostelijk en zuidoostelijk Australië, van zuidelijk Queensland door Nieuw-Zuid-Wales en Victoria tot in de zuidoosthoek van Zuid-Australië, en westwaarts tot in het binnenland langs de kreken. In het noorden van Queensland en op Tasmanië ontbreekt hij. Trekken doet hij niet: een familie houdt een gebied van soms wel duizend hectare aan en blijft daar jaar in jaar uit, al schuiven groepen in droge jaren naar plekken waar het strooisel nog vochtig is.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Luister eerst en kijk dan naar de grond: het klagende gefluit verraadt een familie voordat je hem ziet, en het gezelschap harkt met de snavel door het strooisel als een rij wieders. Jaag ze op en let op het moment dat de vleugels opengaan, want de witte vlek is het enige kenmerk dat op honderd meter overeind blijft. Van juli tot december staat het moddernest open en boven op een horizontale tak, meestal minder dan tien meter hoog.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). De soort is talrijk in het oostelijke binnenland en houdt zich op veel plaatsen goed staande in beweid land met oude bomen. Waar de ondergroei en het strooisel verdwijnen — door te intensieve begrazing, door het opruimen van dood hout en door stadsuitbreiding — verdwijnt de modderkraai wel, want een familie kan alleen jongen grootbrengen als er genoeg helpers zijn, en kleine groepen mislukken vrijwel altijd.

Wetenschappelijke naam

Corcorax melanorhamphos | (Vieillot, 1817)

Vieillot beschreef de vogel in 1817 in een ander geslacht, zodat auteur en jaartal tussen haakjes staan. Het geslacht Corcorax werd in 1831 ingevoerd door Lesson en is gevormd op het Griekse korax, korakos, 'raaf'. Het epitheton melanorhamphos komt van het Oudgriekse melano-, 'zwart', en rhamphos, 'snavel'. AviList schrijft melanorhamphos; GBIF voert de soort onder de spelling melanoramphos.