Alle soortenPapegaaiachtigenHalsbandparkieten › Narethaparkiet

Narethaparkiet | Northiella narethae

Naretha Bluebonnet | Perico naretha

De narethaparkiet is de vogel van de Nullarbor: een kleine, bleke parkiet met een blauw gezicht en een zeer lange staart, die leeft in de ijle myall-bosjes op de grens van West-Australië en Zuid-Australië en zelden ver van water te vinden is. Henry Luke White beschreef hem in 1921 naar Naretha, een spoorweghalte aan de Trans-Australische lijn; daarna werd hij een eeuw lang als ondersoort van de roodbuikparkiet weggezet, tot moleculair werk in 2015 liet zien dat hij daar genetisch los van staat. Wie hem wil zien moet naar een van de leegste hoeken van Australië — en dan nog blijken 288 waarnemingen genoeg om hem in deze gids te krijgen.

Geluid

Waarnemers zijn het er opvallend over eens dat de roep van deze soort nergens anders in Australië op lijkt: een scherpe, hoge, licht metalige contactnoot, vaak in paren gegeven, die ijler en doordringender klinkt dan het harde, rauwe geratel van de roodbuikparkiet. In de vlucht is er een herhaalde, klikkende contactroep waarmee een groepje zich bij elkaar houdt, en bij onrust een hardere, kwetterende ratel. Omdat de soort meestal in paren of in troepjes tot een stuk of twintig rondtrekt, is het geluid van een naderende groep boven de open vlakte vaak het eerste teken van hun aanwezigheid.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een slanke parkiet van 26 tot 28 centimeter, waarvan meer dan de helft staart. Het gezicht is het kenmerk: een lichte, groenblauwe band over voorhoofd, teugels en de streek boven het oog, die scherp afsteekt tegen de rest van het gezicht, kin en voorwangen, die diep lila- tot purperblauw zijn. Kop, voorhals en borst zijn licht grijsbruin met bleke schachtstreepjes en vage vlekken. De buik en de dijen zijn egaal diep geel; rood ontbreekt daar volledig en zit uitsluitend op de onderstaartdekveren. Op de vleugel staan blauwe kleine dekveren en oranjerode buitenste middelste dekveren. Het vrouwtje is kleiner, doffer en minder blauw, met minder kleur op vleugel en staart.

Verwarrings­soorten

De enige serieuze verwarringssoort is de roodbuikparkiet (Northiella haematogaster), die in deze gids een eigen pagina heeft en tot voor kort deze vogel als ondersoort omvatte. Drie dingen scheiden ze. Ten eerste het gezicht: de narethaparkiet heeft een tweekleurig gezicht, met een lichte groenblauwe rand rond voorhoofd en oogstreek tegen een lila- tot purperblauw masker, terwijl de roodbuikparkiet een gelijkmatiger, dieper blauw gezicht toont zonder die lichte voorrand. Ten tweede de buik: bij deze soort is die geheel geel, met het rood beperkt tot onder de staart, terwijl de roodbuikparkiet in de meeste vormen juist een rood buikvlak heeft. Ten derde het formaat: 26–28 tegen 28–35 centimeter, in de praktijk een merkbaar kleinere en fijnere vogel. Overlap is er vrijwel niet — de arealen grenzen aan elkaar rond de oostrand van de Nullarbor maar schuiven niet over elkaar heen — en juist daarom is elke blauwgezichte parkiet in dat grensgebied een notitie van plaats waard. Van andere parkieten van de streek is hij eenvoudig te scheiden: de bleke roseperzikparkieten en de ringneckparkieten van de Nullarbor zijn overwegend groen of grijsroze en missen het blauwe masker volledig.

Leefgebied

De westelijke myall, Acacia papyrocarpa, is de sleutel: ijle, grijsgroene acaciabosjes op kalkbodem, met daartussen open vlakten van saltbush en bluebush. Daarnaast is de soort sterk gebonden aan bosjes van blackoak en andere casuarina's, want daarin zitten de holtes waarin hij broedt; het legsel begint vroeg, al halverwege juli. Aan de randen van het areaal raakt hij mallee en ijl eucalyptusstruweel. Overal geldt de extra voorwaarde van drinkwater: in dit landschap zijn dat veedrinkbakken, spoorwegbronnen en een handvol natuurlijke poelen, en de vogels komen daar dagelijks op vaste tijden op af.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Standvogel in een zeer klein gebied rond de Nullarbor, op en om de grens van West-Australië en Zuid-Australië, ruwweg van Zanthus en Rawlinna in het westen tot in het uiterste zuidwesten van Zuid-Australië. Voor deze gids werden acht van de tien jaren aanwezigheid gemeten en slechts 288 waarnemingen — precies op de drempel van opname, en een eerlijke weerspiegeling van hoe schaars én hoe weinig bezocht deze soort is. De metingen leverden twee eenheden standvogel op, beide rond de staatsgrens. Binnen dat gebied is hij plaatselijk en beweeglijk: de vogels volgen de regen en verschuiven met de beschikbaarheid van water en zaad, zodat een plek die het ene jaar goed is, het volgende leeg kan zijn. Dit is een recente AviList-splitsing waarvan GBIF's ruggengraattaxonomie de status nog niet heeft overgenomen; de cijfers hierboven zijn daarom apart op ondersoortniveau gemeten en moeten met bijbehorende voorzichtigheid worden gelezen.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek geen vogels, zoek water. Ga bij een veedrinkbak, een spoorwegbron of een poel in het myall-land zitten in het eerste uur na zonsopkomst en het laatste uur voor zonsondergang en wacht; de kans op een groepje dat komt drinken is dan vele malen groter dan op een toevallige ontmoeting in het struweel. Let bij elke parkiet op de staartlengte en op het tweekleurige gezicht, en noteer de precieze plaats — bij deze soort is dat onderdeel van de determinatie.

Staat van instandhouding

De IUCN heeft de soort nog niet apart beoordeeld (NE): zij is pas in 2015 van de roodbuikparkiet losgemaakt en wordt in de Rode Lijst nog binnen die soort meegeteld, die als niet bedreigd geldt. Dat is misleidend geruststellend. De narethaparkiet heeft een zeer klein, sterk geïsoleerd areaal, wordt op minder dan vijfduizend vogels geschat en de trend wordt als afnemend beschreven; in de twintigste eeuw is hij duidelijk schaarser geworden na een periode waarin hij als algemeen gold. Hij staat op Appendix II van CITES en heeft historisch geleden onder wegvangst voor de vogelhandel. Nu zijn de risico's eerder begrazing en het verlies van oude myall- en casuarinabomen met holten, vraat door konijnen en geiten waardoor de bosjes zich niet verjongen, en veranderingen in het beheer van de veedrinkbakken waarvan hij afhankelijk is geraakt. Een eigen beoordeling is voor deze soort dringender dan haar huidige status suggereert.

Wetenschappelijke naam

Northiella narethae | (White, 1921)

De naam verwijst naar Naretha, een gehucht en spoorweghalte aan de Trans-Australische spoorlijn op de Nullarbor, zo'n 120 kilometer ten oosten van Zanthus, waar Henry Luke White de vogel in 1921 als Psephotus narethae beschreef. De Nederlandse naam neemt die plaatsnaam onvertaald over, zoals de gids dat vaker doet bij soorten die naar hun vindplaats heten. In het Engels heet hij naast Naretha Bluebonnet ook wel Little Bluebonnet, wat het verschil met de zustersoort netter uitdrukt dan de plaatsnaam. Het geslacht Northiella werd in 1912 door Gregory Mathews opgericht en is genoemd naar de Australische vogelkundige Alfred John North; sindsdien staan de blauwgezichte parkieten los van Psephotus.