Alle soortenDuifachtigenDuiven › Nieuw-Zeelandse duif

Nieuw-Zeelandse duif | Hemiphaga novaeseelandiae

New Zealand Pigeon | Paloma maorí

De Nieuw-Zeelandse duif, in het Māori kererū, is een halve meter lange bosduif met een groenblauwe rug, een paarsbronzen glans over hals en schouders en een messcherp afgesneden witte buik. Hij is zwaar, traag en luidruchtig in de vlucht, en sinds het uitsterven van de moa de enige vogel die de grootste bosvruchten van Nieuw-Zeeland nog heel kan doorslikken.

Nieuw-Zeelandse duif (Hemiphaga novaeseelandiae)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een stille vogel, die alleen af en toe een kort, laag oe laat horen, bijvoorbeeld als er een kiekendief overkomt, en daarnaast een zachter, langer aangehouden contactgeluid met een opgaande staart, meestal enkele keren herhaald. Het echte geluid van deze soort komt niet uit de keel maar van de vleugels: een zware, ritmisch fluitende woesj-woesj die het bos door draagt. In de baltsvlucht klimt hij steil, valt stil en laat zich dan met klapperende vleugels omlaag glijden.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een zeer grote, gedrongen boomduif van een halve meter, met een kleine kop en een zware borst. De kop, hals, rug en vleugels zijn groenblauw met een paarsbronzen weerschijn over hals, mantel en vleugeldekveren, die van kleur verschiet bij elke draaiing. Vanaf de bovenborst is de onderzijde helder wit, met een scherpe, bijna getrokken grens tussen donker en wit. Snavel, poten en ogen zijn karmijnrood. Jonge vogels zijn dof, met een vuilwitte, vlekkerige borst en een rafelige grens.

Verwarrings­soorten

Binnen Nieuw-Zeeland is er geen andere vogel die hierop lijkt; de enige echte verwarring is de chathamduif (Hemiphaga chathamensis), de zustersoort die pas in 2001 als aparte soort is erkend en uitsluitend op de Chathameilanden voorkomt. Die is groter en zwaarder, heeft een duidelijk lichtgrijze stuit en bovenstaartdekveren die hier ontbreken, een maroenkleurige in plaats van groenblauwe mantel, en een rode snavel met een oranje punt tegenover de egaal rode snavel van de kererū. Omdat de arealen elkaar niet raken, beslist in de praktijk de plaats.

Leefgebied

Inheems bos in alle soorten: podocarpen-loofbos, zuidelijk beukenbos en opschietend secundair bos, maar ook naaldhoutplantages met een inheemse onderlaag. Daarnaast houdt hij zich op in houtwallen op boerenland, stadsparken en tuinen, waar hij zich op kōwhai, boomlucerne, wilg en populier tegoeddoet. Hij zoekt vooral rijpe vruchten en schakelt over op bladeren en knoppen zodra die er niet zijn.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Overal in Nieuw-Zeeland waar bos of struweel staat, van Northland tot Stewarteiland, en op de meeste eilanden voor de kust. De dichtheden zijn het hoogst waar roofdieren ontbreken of streng bestreden worden, zoals op roofdiervrije eilanden en in omheinde reservaten. De verwante duif van Norfolkeiland (Hemiphaga spadicea), die lange tijd als ondersoort van deze vogel gold, is rond 1900 uitgestorven, zodat het geslacht binnen het kaartvenster van deze gids nu nog twee soorten telt.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem op het geluid van zijn vleugels: het zware fluiten van een overstekende kererū verraadt hem voordat je hem ziet, ook in dicht bos. Kijk daarna omhoog naar de buitenste takken van een vruchtdragende boom, want daar zit hij vaak minutenlang onbeweeglijk, alleen te verraden door een vallende vrucht. In de nazomer kan een vogel die zich heeft volgegeten aan gegiste vruchten opvallend onhandig vliegen — dat is geen zeldzaamheid maar een bekend verschijnsel.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC), en in de Nieuw-Zeelandse nationale lijst als niet-bedreigd geclassificeerd, maar dat is het resultaat van bescherming, niet van vanzelfsprekendheid: de soort is sinds 1921 volledig beschermd en illegale jacht komt nog steeds voor. De grootste verliezen komen van geïntroduceerde zoogdieren — buidelratten, hermelijnen, verwilderde katten en scheepsratten — die eieren en jongen uit het open takkennest halen. Daarnaast tellen aanrijdingen, botsingen met ruiten en hoogspanningsdraden. Waar de plaagdierbestrijding goed werkt, herstelt de stand snel.

Wetenschappelijke naam

Hemiphaga novaeseelandiae | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Columba novaeseelandiae, naar materiaal van de reizen van Cook; door de verhuizing naar Hemiphaga staan auteur en jaartal tussen haakjes. Bonaparte voerde dat geslacht in 1854 in en bouwde de naam uit het Griekse hēmi 'half' en het staartstuk van Carpophaga 'vruchteneter', omdat hij de vogel halverwege twee andere geslachten plaatste. novaeseelandiae betekent eenvoudig 'van Nieuw-Zeeland'. De Māori-namen kererū, kūkū en kūkupa verschillen per streek en zijn alle naar het geluid gevormd.