Alle soorten › Steltloperachtigen › Vorkstaartplevieren › Oosterse vorkstaartplevier
Oosterse vorkstaartplevier | Glareola maldivarum
Oriental Pratincole | Canastera oriental
De oosterse vorkstaartplevier is een steltloper die als een zwaluw leeft: korte poten, lange spitse vleugels, een gevorkte staart en een wijde bek waarmee hij insecten uit de lucht plukt. Hij broedt in Azië en overwintert in Noord-Australië, waar hij in de regentijd in groepen op kale vlaktes staat. In 2004 bleek dat die groepen ongekend groot kunnen zijn.
Geluid
Een scherp, sternachtig kie-kiek of tsjik-tsjik-tsjik, in de vlucht uitgestoten en bij een grote groep tot een aanhoudend, ratelend geklets uitgroeiend dat boven een vlakte ver draagt. Op de grond zwijgt hij meestal. Bij onraad vliegt de hele groep tegelijk op onder luid geroep en draait een paar rondes voordat ze weer neerstrijkt.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een compacte vogel van drieëntwintig tot vierentwintig centimeter, zandbruin tot olijfbruin van boven en wit op de buik, met een korte zwarte snavel die aan de basis rood is. In broedkleed draagt hij een roomkleurige keelvlek die door een dunne zwarte lijn wordt omlijst — het beste kenmerk van de soort. De poten zijn kort en donker, zodat hij laag en gedrongen op de grond staat. In de vlucht is hij sternachtig: lange, spitse vleugels met zwarte handpennen, een witte stuit, een korte gevorkte staart en kastanjebruine ondervleugeldekveren, die alleen bij goed licht en van onderen te zien zijn. Buiten de broedtijd ontbreekt de zwarte keelrand en is de snavelbasis dof; jonge vogels zijn schubbig getekend door lichte veerzomen en donkere subterminale banden.
Verwarringssoorten
De steltvorkstaartplevier (Glareola isabella) is de enige echte verwarring en staat in het noorden op dezelfde velden: die is duidelijk hoger op de poten, bleker en meer kaneelkleurig, mist de roomkleurige keel met zwarte omlijsting, draagt in broedkleed een donkere kastanje-en-zwarte vlek midden op de buik en heeft een vrijwel egaal zwarte ondervleugel in plaats van kastanjebruine dekveren. In de vlucht doet de soort sterk aan een stern denken, en boven een vlakte in de schemering ook aan een nachtzwaluw; de witte stuit met de zwarte staartband sluit beide uit. Op de grond wordt hij tussen kleine plevieren over het hoofd gezien, tot de hele groep tegelijk opvliegt.
Leefgebied
Kale, vlakke, open grond met kort of geen gras: opdrogende claypans en efemere meren, black-soil-vlaktes met Mitchellgras, zoutkwelder en de drogere rand van wad en estuarium, overbeweid weiland, vliegvelden en afgebrande stukken savanne. Hij heeft ruimte nodig om te kunnen landen en opstijgen en wil vrij zicht; hij foerageert in de lucht boven diezelfde vlaktes en boven water, vooral in de schemering, en vaak in dichte zwermen rond een grasbrand of een termietenvlucht.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Binnen het kaartvenster van deze gids een niet-broedende gast uit Azië. De vogels arriveren vanaf oktober en november en vertrekken in maart en april. Het zwaartepunt ligt in tropisch Noord-Australië: de Kimberley, het Noordelijk Territorium, de Golf van Carpentaria en het Kaap York-schiereiland, met de kuststrook van Eighty Mile Beach in het noordwesten als bekendste verzamelplaats. In jaren met veel regen dringen groepen ver naar het zuiden door, tot in het binnenland van Nieuw-Zuid-Wales en Zuid-Australië. In Nieuw-Zeeland is hij een dwaalgast met een dozijn gevallen, het eerste bij Westport in 1898, en op Norfolk is hij enkele keren gezien.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Rijd in de natte tijd een kale vlakte of een drooggevallen claypan (ondiepe kleikom die na regen tijdelijk water vasthoudt) in het noorden af en let op een lage, donkere band op de grond die zich plotseling in zijn geheel in de lucht oplost — dat is de manier waarop de soort zich verraadt. Kijk daarna omhoog en zoek naar de korte gevorkte staart en het witte stuitvlak. Wie de kastanjebruine ondervleugel wil zien, moet wachten tot een vogel laag en in de zon overvliegt; in tegenlicht lijkt die ondervleugel gewoon zwart.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC), en de soort is bovendien een schoolvoorbeeld van hoe onzeker zulke schattingen kunnen zijn. Tot 2004 werd de wereldpopulatie op zo'n vijfenzeventigduizend vogels geschat. Op 7 februari van dat jaar troffen tellers langs Eighty Mile Beach in Noordwest-Australië in één keer een concentratie van ruim tweeënhalf miljoen vogels aan — waarna de wereldschatting werd bijgesteld naar ongeveer 2,88 miljoen. Het overwinteringsgebied blijkt dus in enkele kustvlaktes geconcentreerd, en dat is tegelijk het risico: verlies of verstoring van een handvol plekken zou een onevenredig groot deel van de soort raken. Verder spelen het droogleggen van de Aziatische broedgebieden en het gebruik van insecticiden, die het luchtvoedsel wegnemen.
Wetenschappelijke naam
Glareola maldivarum | Forster, 1795
Forster beschreef de soort in 1795 als Glareola maldivarum, en in dat geslacht staat ze nog steeds, zodat auteur en jaartal zonder haakjes blijven. Het geslacht Glareola werd in 1769 ingevoerd door Brisson, naar het Latijnse glarea, 'grind', naar de kale, kiezelige grond waarop deze vogels leven. maldivarum betekent 'van de Malediven', en daar zit de aardigheid: het typemateriaal kwam van een groep vogels die op zee bij de Malediven op een schip neerstreek, terwijl de soort daar in werkelijkheid slechts een onregelmatige gast is — een naam die dus naar een toevallige ontmoeting verwijst en niet naar het verspreidingsgebied.




