Alle soortenEendachtigenEenden, ganzen en zwanen › Paradijscasarca

Paradijscasarca | Tadorna variegata

Paradise Shelduck | Tarro maorí

De paradijscasarca is de meest opvallende watervogel van het Nieuw-Zeelandse boerenland, en de enige eend van de gids waarbij het vrouwtje het opzichtigst is: zij heeft een sneeuwwitte kop en hals op een roodbruin lijf, hij is donkergrijs met een gitzwarte kop. Vrijwel altijd zie je ze met zijn tweeën, want de paren blijven levenslang bij elkaar en houden het hele jaar hetzelfde stuk weiland bezet.

Paradijscasarca (Tadorna variegata)
Foto: Michal Klajban — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luidruchtig paar dat zijn aanwezigheid nooit verbergt. Het mannetje geeft een laag, tweelettergrepig gehonk als van een gans, zonk zonk; het vrouwtje antwoordt met een veel hoger, doordringend en sneller ziek-ziek-ziek, dat ze vooral in de vlucht en bij een indringer aanhoudend herhaalt. Wie over een weiland loopt waar een paar zit, krijgt dat duet meteen te horen — het is het vrouwtje dat alarm slaat.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een grote, gansachtige eend van 63 tot 70 cm, die rechtop op het gras staat. Het mannetje is egaal donkergrijs tot zwart, fijn gewaterd, met een zwarte kop die in de zon groen glanst. Het vrouwtje heeft een zuiver witte kop en bovenhals tegen een warm kastanjebruin lijf — van ver een wit puntje in het weiland. Beide geslachten delen kastanjebruine onderstaartdekveren, zwarte handpennen en groene armpennen, en in de vlucht een groot, helder wit veld op de bovenvleugel dat op elke afstand werkt. De donsjongen zijn bruin-wit gebandeerd als pepermuntjes. Jonge vrouwtjes beginnen met witte vlekjes rond oog en snavelbasis, die in de loop van een paar jaar tot de hele witte kop uitgroeien.

Verwarrings­soorten

De Australische bergeend (Tadorna tadornoides) is een zeldzame dwaalgast uit Australië en lijkt op het mannetje, maar heeft een witte halsring, een kastanjebruine tot okerkleurige borst en zwarte onderstaartdekveren waar de paradijscasarca kastanjebruin is. De Canadese gans (Branta canadensis) graast op hetzelfde weiland maar is veel groter, met een lange hals en een witte kinband. De zwarte zwaan (Cygnus atratus) is op afstand donkerder en heeft een veel langere hals. Bij het vrouwtje is de witte kop zo eigen dat verwarring nauwelijks mogelijk is.

Leefgebied

Kort beweid grasland naast water is het beeld: melkveeweiden, rivierterrassen, oevers van meren en stuwmeren, en in toenemende mate ook sportvelden, golfbanen en stadsparken. Daarnaast tussockgrasland (grasland van losse, hoge polvormende grassen, vooral in Nieuw-Zeeland) van de hooglanden, de grindbanken van de vlechtende rivieren en beschutte baaien aan de kust. Hij graast als een gans op gras en klaver en zoekt in ondiep water naar waterplanten en kleine dieren. Het nest ligt onder een omgevallen boom, in een gat in de grond, in een hooiberg of in een boomholte tot vijfentwintig meter hoog.

Verspreiding en trek

De wijdst verspreide watervogel van Nieuw-Zeeland: het hele Noorder- en Zuidereiland, Stewarteiland en de grotere kusteilanden, en na uitzettingen tussen 1915 en de jaren zestig ook de Chathameilanden. In Australië komt hij niet voor. Van december tot februari verlaten de paren hun territorium en verzamelen ze zich in grote ruigroepen op meren, stuwmeren en vijvers, waar ze een aantal weken niet kunnen vliegen; buiten die periode zit elk paar vast op zijn eigen stuk grond.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Scan elk stuk kort weiland langs een rivier of meer op het Zuidereiland: een wit puntje naast een donker puntje is bijna altijd een paar paradijscasarca's. Het vrouwtje verraadt het paar met haar schelle alarm lang voordat je ze goed ziet. Ga in januari naar een hooglandmeer of een stuwmeer om de ruigroepen te zien — honderden vogels bij elkaar die het water niet af durven.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC), en in Nieuw-Zeeland officieel niet bedreigd (Not Threatened); met ruim zes- tot zevenhonderdduizend vogels (schatting 2011) is het na de wilde eend de talrijkste watervogel van het land. In de negentiende eeuw was dat anders: overbejaging maakte hem zeldzaam, en pas na strengere jachtregels en twee à drie decennia voorzichtig beheer begon het herstel, dat sinds 1990 in een uitbreiding van aantal en areaal is overgegaan. Anders dan de meeste inheemse eenden heeft hij juist geprofiteerd van de omzetting van bos in weiland en van de aanleg van veedrinkpoelen. Hij is een wettelijk jachtbaar wild met vergunning en dagquota; jaarlijks worden er zo'n tweehonderdduizend geschoten en tóch groeit de stand.

Wetenschappelijke naam

Tadorna variegata | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Anas variegata; omdat ze later naar Tadorna verhuisde, staan auteur en jaartal tussen haakjes. variegata betekent 'bont, geschakeerd', naar het sterk contrasterende kleed. De geslachtsnaam Tadorna gaat via het Frans terug op een Keltische wortel met de betekenis 'bonte watervogel'. De typelocatie is met 'Habitat in nova Seelandia' vaag aangeduid en later vastgelegd op Dusky Sound in Fiordland, waar Cook op zijn tweede reis aanlegde. De Māori-namen pūtangitangi en pūtakitaki zijn beide naar de roep gevormd; de Nederlandse en Engelse naam danken 'paradijs' aan de opvallende tekening van het vrouwtje.