Alle soorten › Hoenderachtigen › Grootpoothoenders › Boskalkoen
Boskalkoen | Alectura lathami
Australian Brushturkey | Alectura lathami
De boskalkoen is de grootste van de drie Australische grootpootkippen: een fors, glanzend zwart bosvogel met een kale rode kop, een gele halslel en een zijdelings platgedrukte staart die hij als een leesboek rechtop draagt. Hij broedt zijn eieren niet uit maar begraaft ze in een enorme hoop bladafval, waarvan het mannetje maandenlang de temperatuur bewaakt. In Brisbane en Noord-Sydney krabt hij inmiddels gewoon de achtertuinen om.
Geluid
Het mannetje laat bij de hoop een diep, dreunend geboem horen waarbij hij de halszak opblaast om de klank te versterken; het is een lage, bijna subsonische oe-oemp ... oe-oemp die door het bos trilt en waarvan de richting moeilijk te bepalen is. Daarnaast klinken series keelachtige grommen, nasaal geklok en slikkende geluiden. Bij onraad gaat de vogel er met een scherp, hoog gekras vandoor en klappert luid de vleugels.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een grote, hoenderachtige bosvogel van zestig tot vijfenzeventig centimeter, overwegend glanzend zwart, met lichte veerzomen op de onderzijde die van dichtbij een vage schubtekening geven. De kop en de bovenhals zijn kaal en helderrood, met sprieterige zwarte haartjes; het mannetje heeft in het broedseizoen een opgezwollen, helgele halslel, die bij de noordelijke vogels op Kaap York bleekblauw is. De staart is opvallend: lang, breed en zijdelings samengedrukt, zodat hij van voren een smalle strook lijkt en van opzij een waaier. De poten zijn zwaar en donker. Hij loopt veel en vliegt zelden, maar slaapt hoog in de bomen.
Verwarringssoorten
Het rood boshoen (Megapodius reinwardt) is de andere grootpootkip van de oostelijke tropen: veel kleiner (45 cm), bruin in plaats van zwart, met een spits kuifje en helder oranje poten, en zonder kale rode kop. De thermometervogel (Leipoa ocellata) van de zuidelijke mallee is bruin met een fijne witte, zwarte en roestbruine bandering en komt nergens samen met de boskalkoen voor. De kalkoen (Meleagris gallopavo), die op Kangaroo Island verwilderd is, is zwaarder gebouwd, bruiner, heeft een brede uitwaaierende staart en rode lellen die over de snavel hangen. Geen enkele Australische kraaiachtige of ibis heeft die platte, rechtopstaande staart.
Leefgebied
Tropisch regenwoud en nat eucalyptusbos met een dikke laag bladafval zijn zijn kern, maar hij gaat ook het drogere struweel en de vine thickets in, en in het zuiden juist ook tuinen, parken en bosranden midden in de stad. Waar hij zich vestigt gaat het altijd om schaduw, strooisel en vocht: hij heeft rottend blad nodig om zijn hoop warm te krijgen. In het noorden zit hij in de zomer hoger in de bergen en zakt in de winter naar het laagland; in het zuiden blijft hij het hele jaar op dezelfde plek.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
De oostelijke rand van Australië, van de top van Kaap York in Queensland zuidwaarts tot de noordelijke buitenwijken van Sydney en het Illawarra-gebied in Nieuw-Zuid-Wales, vrijwel altijd binnen een paar honderd kilometer van de kust. De noordelijke vogels van Kaap York, met de bleekblauwe lel, worden als aparte ondersoort onderscheiden. Daarbuiten is hij ingevoerd op Kangaroo Island in Zuid-Australië, ver buiten zijn natuurlijke areaal, waar hij zich heeft gehandhaafd. In Nieuw-Zeeland komt hij niet voor.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek eerst de hoop, niet de vogel: een berg bladafval van drie tot vier meter doorsnee en een meter hoog op de bosbodem verraadt een territorium, en de eigenaar is er in het voorjaar vrijwel altijd binnen gehoorafstand. Luister in augustus tot december naar het lage geboem, dat als eerste opvalt zodra je weet waar je op moet letten. In de parken van Noord-Sydney en in de Brisbaanse voorsteden loopt hij zo over het gras; pas op, want hij krabt in één ochtend een heel bloemperk leeg.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC), en een van de weinige grote Australische bosvogels die het de laatste decennia juist beter zijn gaan doen. In de negentiende en vroege twintigste eeuw was hij door bejaging en het rapen van eieren op veel plaatsen zeldzaam geworden; sinds de bescherming en het staken van de vossenbestrijdingscampagnes heeft hij zich hersteld en is hij de steden binnengetrokken. Vossen en verwilderde katten pakken kuikens en eieren, en het rooien van regenwoud kost hem terrein, maar geen van beide weegt op tegen de winst. In de stad is de spanning eerder andersom: hij graaft tuinen om en bouwt zijn hoop in een border, en dat leidt met enige regelmaat tot illegale bestrijding.
Wetenschappelijke naam
Alectura lathami | Gray, 1831
J.E. Gray beschreef de soort in 1831 als Alectura lathami, in het eerste deel van zijn Zoological Miscellany, en in dat geslacht staat ze nog steeds, zodat auteur en jaartal zonder haakjes blijven. Alectura is gevormd uit het Griekse alektōr, 'haan', en oura, 'staart', dus 'hanenstaart', naar de opvallende rechtopstaande staart. Het epitheton lathami eert John Latham, de Engelse arts en vogelkundige die aan het eind van de achttiende eeuw de eerste grote beschrijvingen van Australische vogels op papier zette. De typelocatie is de omgeving van Sydney.



