Alle soorten › Koekoeksvogels › Koekoeken › Roestbuikkoekoek
Roestbuikkoekoek | Cacomantis castaneiventris
Chestnut-breasted Cuckoo | Cuco ventricastaño
De roestbuikkoekoek is de opvallendst gekleurde van de Australische Cacomantis-koekoeken en tegelijk de minst vaak waargenomen: leisteenblauwgrijs op kop, rug en vleugels, en daaronder diep roestbruin tot kastanjekleurig, met een gele oogring en een zwart-wit gebandeerde staart. Hij is in Australië beperkt tot de regenwouden van het schiereiland Kaap York — voor veel vogelaars de soort waarvoor de reis naar Iron Range wordt gemaakt.
Geluid
Een reeks heldere, dalende fluittonen, meestal drie of vier achter elkaar, en daarnaast een klagende, dalende triller die aan die van de waaierstaartkoekoek doet denken maar korter en ijler klinkt. In het dichte regenwoud is het geluid vrijwel altijd het eerste en vaak het enige contact.
Opname: Phil Gregory — CC BY-NC-SA 4.0 · Iron Range NP Ranger Station, Lockhart, Cook Shire, Queensland, Australia · xeno-canto
Herkenning
Tweeëntwintig tot vijfentwintig centimeter, slank gebouwd met een lange staart, in formaat tussen de sahoelstruikkoekoek en de waaierstaartkoekoek in. Kop, rug en vleugels zijn donker leiblauw tot leigrijs, de borst en de hele onderzijde diep roestbruin — een verzadigd kastanjebruin, niet het bleke oranjebeige van zijn verwanten. Rond het oog staat een gele ring. De staart is van onderen zwart-wit gebandeerd, maar minder opvallend dan bij de waaierstaartkoekoek. Jonge vogels zijn veel doffer, grijzig kaneelkleurig van boven met bleek beige onderdelen, en dan een stuk lastiger.
Verwarringssoorten
De waaierstaartkoekoek (Cacomantis flabelliformis) is de directe tegenspeler: groter (24–28 cm), van onderen bleek oranjebruin in plaats van diep kastanjebruin, met een veel opvallender zwart-witte bandering op de onderstaart en een lange, klagende dalende triller; zijn zwaartepunt ligt in oostelijk en zuidwestelijk Australië en Tasmanië, met slechts een smalle overlap in het noordoosten. De sahoelstruikkoekoek (Cacomantis variolosus) is kleiner (20–24 cm), heeft een grijze in plaats van gele oogring en is van onderen bleek beige, en komt wél gewoon op Kaap York voor. Het onderscheid zit dus in drie dingen tegelijk: de verzadiging van het roestbruin, de kleur van de oogring en het formaat. Jonge vogels van alle drie lijken sterk op elkaar; wacht in dat geval op de roep.
Leefgebied
Tropisch regenwoud en de randen daarvan, moessonbos en lianenstruweel, en plaatselijk mangrove. Hij blijft doorgaans in het middelste en hoge deel van het kronendak, in dicht gebladerte, en voedt zich met rupsen en andere insecten die hij van bladeren plukt of in korte uitvallen bemachtigt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Binnen het kaartvenster uitsluitend het noordelijke deel van het schiereiland Kaap York in Queensland, met de bekendste plekken in het Iron Range- en McIlwraith Range-gebied en het Lockerbie Scrub bij de noordpunt. Naar het zuiden toe houdt hij snel op. Buiten het venster komt de soort voor op de Aroe-eilanden en over heel Nieuw-Guinea, waar twee verdere ondersoorten zijn beschreven. In Nieuw-Zeeland ontbreekt hij volledig.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga in de vroege ochtend op een regenwoudpad in het Iron Range-gebied staan en laat de vogel zich melden: rondlopen helpt hier minder dan stilstaan en luisteren. Volg de dalende fluitreeks omhoog en zoek in het halfschaduwrijke middendeel van het kronendak naar een stilzittende, slanke vogel. Zie je hem, kijk dan meteen naar de buik — dat diepe kastanjebruin is de sluitsteen, en bij tegenlicht helpt de gele oogring.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC) op wereldschaal, dankzij het grote areaal in Nieuw-Guinea. Binnen Australië is de soort echter zeer beperkt: alleen de regenwouden van noordelijk Kaap York, waar de populatie klein en slecht geteld is. Het Australische deel van het areaal hangt aan het behoud van aaneengesloten laaglandregenwoud; mijnbouw, wegontsluiting en veranderende brandregimes aan de bosrand zijn daar de reële zorgen, meer dan directe vervolging.
Wetenschappelijke naam
Cacomantis castaneiventris | (Gould, 1867)
Gould beschreef de soort in 1867 als Cuculus (Cacomantis) castaneiventris in de Annals and Magazine of Natural History, naar materiaal uit het district Kaap York in Queensland; door de latere verzelfstandiging van Cacomantis staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het epitheton is samengesteld uit het Latijnse castaneus, 'kastanjebruin', en venter, 'buik' — letterlijk de roestbuik van de Nederlandse naam. Het geslacht Cacomantis (Müller, 1843) is gevormd op het Griekse kakos, 'slecht', en mantis, 'waarzegger', naar het oude bijgeloof dat de roep van een koekoek onheil aankondigt.


