Alle soorten › Koekoeksvogels › Koekoeken › Waaierstaartkoekoek
Waaierstaartkoekoek | Cacomantis flabelliformis
Fan-tailed Cuckoo | Cuco flabeliforme
De waaierstaartkoekoek is de koekoek die je in Zuidoost-Australië veel vaker hoort dan ziet: een leigrijze vogel met een warm okerbruine onderzijde, een felgele oogring en een lange staart die van onderen zwaar zwart-wit gebandeerd is en bij het landen als een waaier opengaat. De dalende triller waarmee hij in het voorjaar het eucalyptusbos vult, is een van de kenmerkendste geluiden van de Australische oostkust.
Geluid
Het kenmerkende geluid is een snelle, hoge triller die in toonhoogte wegzakt: tsjie-rrrrrr, een paar seconden lang en dan meteen opnieuw. Daarnaast klinkt een klaaglijk, aangehouden fluitje en een droog, sprinkhaanachtig getsjirp dat van dichtbij verrassend zacht is. Roepen doet hij vooral tussen juli en januari, en dan de hele dag door, ook midden op een hete middag.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een middelgrote koekoek van 24 tot 28 centimeter en ongeveer 58 gram. Kop, rug en vleugels zijn effen leigrijs, de onderzijde warm okerbruin, met een bleek oranje keel. Het beste kenmerk op korte afstand is de brede, felgele oogring — bij jonge vogels groenig. De staart is lang en van onderen opvallend zwart-wit gebandeerd, en wordt bij het landen en bij onrust gespreid. Jonge vogels zijn bruin, van boven roodbruin gevlekt en van onderen gebandeerd, maar hebben de lange gebandeerde staart al.
Verwarringssoorten
De roestbuikkoekoek (Cacomantis castaneiventris) is kleiner, heeft een diep kastanjebruine onderzijde in plaats van okerbruin, een minder scherpe staartbandering, en zit alleen in het regenwoud van Kaap York — buiten dat schiereiland is verwarring uitgesloten. De sahoelstruikkoekoek (Cacomantis variolosus) overlapt wél breed: die is kleiner, bleker oker van onderen, met een grijze in plaats van gele oogring en een kortere staart die hij niet waaiert. De vale koekoek (Heteroscenes pallidus) is ongeveer even groot maar grijs zonder oker, met een donkere oogstreep en witte vlekken op de bovenstaartdekveren. Kijk eerst naar de kleur van de oogring, dan naar de buik.
Leefgebied
Nat en droog eucalyptusbos, open woodland, regenwoudranden, heide en de begroeiing langs kreken; ook tuinen en parken zolang er bos in de buurt is. Hij jaagt vanaf een open tak op halve hoogte en laat zich vandaar op een harige rups op de grond vallen of vangt een insect in de lucht. Als broedparasiet is hij gebonden aan de koepelnesten van elfjes (Malurus), doornsnavels (Acanthiza) en struiksluipers (Sericornis), waar hij één ei legt en er één van de gastheer uit haalt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
In Australië langs de hele oostkant, van Kaap York door Queensland, Nieuw-Zuid-Wales en Victoria tot in het zuidoosten van Zuid-Australië, plus heel Tasmanië, en daarnaast een gescheiden bevolking in het zuidwesten van West-Australië. De Tasmaanse vogels steken in de winter over naar het vasteland. In Nieuw-Zeeland is hij alleen dwaalgast: een handvol aanvaarde gevallen sinds 1960, van Governor's Bay en Karikari tot een doodgereden vogel in Northland in 2010 en een waarneming op Stewart Island.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Leer de dalende triller; die draagt ver en is het enige waarmee je hem in een groot bos vindt. Zoek daarna langs de bosrand op kale, dode takken op tien tot vijftien meter hoogte naar een stille grijze vogel die rechtop zit en zijn staart traag laat zakken. Augustus tot november is de piek: dan roept hij het meest en zitten zijn gastheren op nest.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC), en in elke Australische staat als veilig beoordeeld. Hij is wijdverbreid en talrijk, en zijn gastheren — elfjes, doornsnavels en struiksluipers — zijn dat ook; doordat hij zelf geen nest bouwt, raakt hem veel van wat andere bosvogels treft niet rechtstreeks. Plaatselijk verdwijnt hij waar bos wordt gekapt of waar te vaak en te heet wordt gebrand, want dan gaat de struiklaag verloren waarin zijn gastheren nestelen.
Wetenschappelijke naam
Cacomantis flabelliformis | (Latham, 1801)
Latham beschreef de vogel in 1801 als Cuculus flabelliformis; omdat hij later naar een ander geslacht verhuisde, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Cacomantis werd in 1843 ingevoerd door Salomon Müller, uit het Griekse kakos, 'slecht', en mantis, 'ziener' — 'onheilsprofeet'. Müller tekende erbij op dat men op de Molukken deze klaaglijk roepende koekoeken, die vaak bij begraafplaatsen opdoken, voor ongeluksvogels hield. flabelliformis is Latijn voor 'waaiervormig', van flabellum, 'waaier', naar de staart. Het type kwam uit Nieuw-Zuid-Wales.



