Alle soorten › Koekoeksvogels › Koekoeken › Sahoelstruikkoekoek
Sahoelstruikkoekoek | Cacomantis variolosus
Sahul Brush Cuckoo | Cuco varioloso
De sahoelstruikkoekoek is een kleine, onopvallend grijsbruine koekoek die je in de zomer overal langs de noord- en oostrand van Australië hoort: een dalende reeks heldere fluittonen die steeds sneller en lager wordt. Kijken helpt nauwelijks — hij zit stil, hoog en effen gekleurd — maar de roep is onmiskenbaar. Sinds de Australische en Nieuw-Guinese vogels als eigen soort worden gezien, heet hij naar Sahoel, het ijstijdlandmassief van Australië en Nieuw-Guinea samen.
Geluid
De hoofdroep is een dalende reeks luide, heldere fluittonen: fier-fier-fier-fier, waarbij elke toon iets lager en sneller komt dan de vorige, tot de reeks wegsterft. Daarnaast een drietonig, vragend waar-is-de-thee. Elders in zijn areaal heet hij naar dat versnellende herhalen 'brain-fever bird'. Hij roept vooral van september tot februari, ook 's nachts bij maanlicht.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een kleine koekoek van 22 tot 23 centimeter en ongeveer 38 gram. Het mannetje is grijsbruin van boven, met een grijze kop, hals en borst die geleidelijk overgaan in licht grijs tot okerkleurig op buik en flanken. De oogring is grijs, niet geel — dat is het snelste kenmerk. De vleugels zijn spits en achterwaarts gebogen, de staart is gebandeerd maar korter dan bij de waaierstaartkoekoek. Vrouwtjes komen in twee vormen voor: de gewone, die op het mannetje lijkt maar bleker is van onderen, en een zeldzamere gebandeerde vorm met gestreepte bovendelen en donker gebandeerde onderdelen. Jonge vogels zijn zwaar donkerbruin gebandeerd van boven en gevlekt en gebandeerd van onderen.
Verwarringssoorten
De waaierstaartkoekoek (Cacomantis flabelliformis) is de belangrijkste verwarringssoort en overlapt langs de hele oostkust: die is groter, dieper leigrijs van boven, warmer okerbruin van onderen, en heeft een brede felgele oogring en een langere staart die hij bij het landen spreidt. De roestbuikkoekoek (Cacomantis castaneiventris) van het regenwoud van Kaap York is even klein maar heeft een diep kastanjebruine onderzijde. De vale koekoek (Heteroscenes pallidus) is duidelijk groter, grijzer en heeft een donkere oogstreep. De kleur van de oogring — grijs tegenover geel — scheidt de twee lastigste soorten in één blik.
Leefgebied
Bebost terrein in de breedte: regenwoud, nat eucalyptusbos, melaleucamoerasbos, galerijbos langs kreken en rivieren, de rand van mangroven en opener bos en open bos. Af en toe in tuinen. Hij foerageert hoog in de kroonlaag op insecten, vooral harige rupsen, en komt soms op de grond. Als broedparasiet legt hij één ei per nest, meestal bij vliegenvangers, roodborstjes, elfjes, gerygones en honingeters; in Australië zijn ten minste 58 gastheersoorten vastgesteld, en de eieren lijken per streek op die van de plaatselijke gastheer.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Noordelijk en oostelijk Australië: van de Kimberley over het Top End en het Golflandschap naar Kaap York, en van daar langs de kust van Queensland en Nieuw-Zuid-Wales tot in Victoria. Hij ontbreekt in Zuid-Australië, Tasmanië, het binnenland en het zuidwesten. In het zuiden van dat areaal is hij trekvogel: de vogels arriveren in het voorjaar, broedparasiteren in de zomer en trekken voor de winter noordwaarts naar Nieuw-Guinea en de eilanden. In het tropische noorden blijft een deel het hele jaar. In Nieuw-Zeeland komt hij niet voor.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga af op de dalende fluitreeks; van september tot februari is die langs elke regenwoudrand en elk melaleucamoeras een van de gewoonste geluiden, en hij verraadt de vogel op honderd meter. Zoek daarna langs dunne horizontale takken op halve hoogte naar een kleine, stille grijze vogel. Controleer altijd eerst de oogring voordat je 'waaierstaart' noteert.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC) en in elke staat waar hij voorkomt als veilig beoordeeld. Zijn kracht is zijn breedte: met tientallen gastheersoorten en een groot areaal is hij niet van één vogel of één bostype afhankelijk. Waar het misgaat, gaat het om het verdwijnen van juist zijn beste leefgebieden — kustregenwoud, melaleucamoeras en galerijbos langs kreken — door ontginning, drooglegging en te hete branden.
Wetenschappelijke naam
Cacomantis variolosus | (Vigors & Horsfield, 1827)
Vigors en Horsfield beschreven de vogel in 1827 als Cuculus variolosus; door de verhuizing naar Cacomantis staan auteurs en jaartal tussen haakjes. variolosus is Latijn voor 'pokdalig, gespikkeld', van variola, 'puist' — naar het zwaar gevlekte en gebandeerde kleed van jonge vogels. Het geslacht Cacomantis werd in 1843 ingevoerd door Salomon Müller: Grieks kakos, 'slecht', en mantis, 'ziener', naar het bijgeloof rond hun klaaglijke roep. Het type kwam uit Nieuw-Zuid-Wales. De Nederlandse en Engelse naam verwijzen naar Sahoel, het ijstijdcontinent waarin Australië en Nieuw-Guinea één landmassa vormden; de soortgroep is opgesplitst en de vroegere 'struikkoekoek' viel uiteen in een Sahoelse en enkele Aziatische soorten.



