Alle soorten › Stormvogelachtigen › Albatrossen › Roetkopalbatros
Roetkopalbatros | Phoebetria palpebrata
Light-mantled Albatross | Albatros manto claro
De roetkopalbatros is de sierlijkste albatros van de zuidelijke zeeën: een donkere vogel met smalle, spitse vleugels en een lange wigvormige staart, waarbij een roetbruine kop overgaat in een asgrijze mantel en rug. Paren voeren boven de kliffen van de subantarctische eilanden een gelijkopvliegende baltsvlucht uit waarin de twee vogels elkaar slag voor slag spiegelen.
Geluid
Op zee zwijgt hij. Bij de kolonie is de tweelettergrepige 'hemelroep' het kenmerk: een ver dragend pie-aaah, met de kop schuin omhoog gegeven, vaak tijdens de gezamenlijke vlucht langs de klifrand. Daarnaast klinken balkende dreigroepen bij het nest en een droog geklapper van de snavel.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
80 tot 90 cm lang, spanwijdte 1,8 tot 2,3 m en ongeveer 3 kg — dus in lengte een mollymawk, maar in silhouet heel anders: de vleugels zijn opvallend smal en puntig en de staart loopt uit in een lange wig. Kop en hals zijn roetbruin en steken duidelijk af tegen de bleek asgrijze mantel, rug en onderzijde, een contrast dat weleens met de tekening van een siamese kat wordt vergeleken. Achter het oog staat een dun wit halvemaantje. De snavel is zwart met een lichtblauwe streep langs de ondersnavel. De vlucht is buitengewoon licht en zwierig, met lange glijbogen langs de golftoppen.
Verwarringssoorten
De zwarte albatros (Phoebetria fusca) is de enige echte verwarring en het onderscheid is smal: die is over het hele lichaam gelijkmatig donker chocoladebruin, zonder de bleke mantel, en de streep op de ondersnavel is crème tot oranjegeel in plaats van lichtblauw. Op een donkere vogel in tegenlicht is het mantelcontrast niet altijd te zien, en dan blijft de snavelstreep het enige harde kenmerk; verspreiding helpt, want in dit gebied is de roetkopalbatros de verwachte van de twee. De reuzenstormvogels (Macronectes) zijn zwaarder gebouwd, met een dikke bleke snavel met een duidelijke neusbuis en een korte staart. Jonge vogels van de antipodenalbatros (Diomedea antipodensis) en de grote albatros (Diomedea exulans) zijn ook chocoladebruin, maar veel groter, met een wit gezichtsmasker, een grotendeels witte ondervleugel en een roze snavel. Alle mollymawks van het geslacht Thalassarche hebben een wit lichaam.
Leefgebied
Subantarctische en Antarctische zee, tot aan het pakijs; buiten het broedseizoen vooral in koud water ver van land. Om te broeden kiest hij smalle richels op zeekliffen en steile tussockhellingen van subantarctische eilanden, waar het nest een kegel van modder en plantenresten is, vaak half onder overhangende vegetatie.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Broedt binnen dit kaartvenster op de Aucklandeilanden (ongeveer 5.000 paren), Campbell-eiland (ongeveer 1.600 paren), de Antipodeneilanden (ongeveer 250 paren) en op Macquarie-eiland. Op zee is hij te verwachten in de subantarctische wateren ten zuiden van Nieuw-Zeeland en in de zuidelijke Tasmanzee, en in kleine aantallen op diepwatertochten voor Tasmanië en Zuid-Australië, vooral in de winter. Boven de subtropische wateren voor Queensland ontbreekt hij.
- Broedvogel (zomer)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga voor een diepwatertocht uit Eaglehawk Neck op Tasmanië in de winter, of naar de zuidelijke Nieuw-Zeelandse wateren; op een bezoek aan de Aucklandeilanden of Campbell zijn de paren langs de klifrand te zien. Leer eerst het silhouet: smalle spitse vleugels plus een lange wigstaart wijzen op Phoebetria nog voordat er kleur te zien is — geen andere albatros hier heeft die staart. Kijk daarna pas naar het mantelcontrast en de snavelstreep.
Staat van instandhouding
Gevoelig (NT), met wereldwijd ongeveer 58.000 broedparen, maar met een afname van twintig tot dertig procent in de afgelopen eeuw. Bijvangst in de beugelvisserij op volle zee is de best gedocumenteerde oorzaak, al ontbreken precieze cijfers over het aantal vogels dat wordt gevangen. Daarnaast spelen plastic in het voedsel en, op sommige broedeilanden, verwilderde katten en predatie door reuzenstormvogels. De soort broedt maar eens in de twee jaar, waardoor verliezen zich traag laten inhalen.
Wetenschappelijke naam
Phoebetria palpebrata | (Forster, 1785)
Johann Reinhold Forster beschreef de vogel in 1785 als Diomedea palpebrata; omdat de soort nu in Phoebetria staat, komen auteur en jaartal tussen haakjes. palpebrata betekent 'van oogleden voorzien' en slaat op het korte witte halvemaantje van veertjes achter het oog. De typelocatie ligt op open zee ten zuiden van de Prins Edward- en Marioneilanden: Forster noteerde alleen een breedtegordel, en Mathews legde die in 1934 daar vast. Het geslacht Phoebetria werd in 1853 ingevoerd door Reichenbach, naar het Griekse phoibētria, 'zieneres'.


