Alle soorten › Pelikaanachtigen › Reigers › Rosse kwak
Rosse kwak | Nycticorax caledonicus
Nankeen Night Heron | Martinete canelo
De rosse kwak is de nachtreiger van Australië: een gedrongen, kaneelrode reiger met een zware zwarte snavel, een zwarte kruin en grote gele ogen. Overdag zit hij roerloos in een dichte boom boven het water, en pas in de schemering komt hij eruit om te vissen. In Nieuw-Zeeland is hij een nieuwkomer die zich in deze eeuw langs één rivier heeft gevestigd.
Geluid
Vooral in de schemering te horen, wanneer de vogels de slaapboom verlaten: een hard, schor kwaark dat over het water draagt, bij vrouwtjes en jonge vogels hoger van toon. Wordt een rustende vogel overdag opgeschrikt, dan klinkt een korte, diepe kwok. In de kolonie gaat het luidruchtiger toe, met gekras en gekwaak tussen de nesten en het schrille, aanhoudende gebedel van de jongen.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een gedrongen reiger van ongeveer zestig centimeter met een grote kop, een korte dikke hals en korte poten — een heel ander silhouet dan de slanke reigers van het geslacht Ardea. De bovendelen zijn warm kaneelrood, de onderdelen romig wit tot lichtbruin, kruin en achterhals blauwzwart, met een smalle oranje streep boven het oog. De snavel is zwaar en zwart, het oog groot en geel, de poten geelachtig en in de broedtijd feller; volwassen vogels dragen dan twee of drie lange, smalle witte nekveren. Jonge vogels zien er volstrekt anders uit: bruin met zware witte en okerkleurige vlekken en strepen, en zij doen er ongeveer drie jaar over om het volwassen kleed te bereiken. In de vlucht oogt hij kortstaartig en breedvleugelig, met ingetrokken hals.
Verwarringssoorten
Het jonge kleed is de valkuil. De Australische roerdomp (Botaurus poiciloptilus) is duidelijk groter en langer van hals, heeft gestreepte in plaats van gevlekte onderdelen en mist de zwarte kruin; hij blijft bovendien in het riet en gaat zelden in bomen zitten. De Amerikaanse mangrovereiger (Butorides atricapilla) is veel kleiner en grijzer, en draagt het kaneel op de onderdelen in plaats van op de rug. De zwarte woudaap (Botaurus flavicollis) deelt de gewoonte om boven water in bomen te zitten, maar is roetzwart met een gele halszijde.
Leefgebied
Alle goed begroeide zoete wateren: rivieroevers met overhangende bomen, kreken, rietmoerassen, overstromingsvlakten, stuwmeren en boerendammen, en aan de kust ook mangrove. De slaapplaats is het scharnierpunt van zijn dag — een dichte, groenblijvende boom, vaak vlak bij huizen — en daaromheen ligt het jachtgebied. Hij is een van de weinige reigers die zich in stadsparken en tuinen thuis voelt, zolang er water en dekking is.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Over heel Australië waar permanent water staat, van de Kimberley en het Top End tot Victoria en het zuidwesten; op Tasmanië is hij schaars. Hij zwerft met de regen het binnenland in en trekt zich in droge jaren naar de kust en de steden terug. In Nieuw-Zeeland is hij nieuw: de vogels zitten vrijwel uitsluitend langs de Whanganui, ruwweg tussen Pipiriki en de stad Whanganui, waar in 2022 bij Ūpokongaro een broedkolonie werd gevonden; de stand blijft daar waarschijnlijk onder de vijftig paren. Elders in Nieuw-Zeeland is hij een zeldzame dwaalgast.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek de slaapboom, niet de vogel. Loop in een park of langs een kade de dichte groenblijvende bomen boven het water af en kijk omhoog: wit uitwerpsel op blad en grond verraadt de plek, en dan zitten er vaak tien tot twintig vogels stil bij elkaar. Ga tegen zonsondergang op een brug of oever wachten tot ze een voor een uitvliegen — het schorre kwaark komt voor de vogel uit. In Nieuw-Zeeland is de rivieroever bij Ūpokongaro de plek.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC): wijd verbreid, talrijk en goed bestand tegen de menselijke omgeving, zodat hij van stadsparken, boerendammen en stuwmeren profiteert. Plaatselijk hangt hij aan het overstromen van de binnenlandse moerassen, en het verdwijnen van oeverbos en van rustige, dichte slaapbomen is de belangrijkste beperking. In Nieuw-Zeeland neemt de jonge stand toe, maar er bestaat daar geen enkele beschermingsmaatregel voor de soort.
Wetenschappelijke naam
Nycticorax caledonicus | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de vogel in 1789 als Ardea caledonica; omdat hij later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Nycticorax werd in 1817 ingevoerd door Forster, uit het Griekse nux, nuktos, 'nacht', en korax, 'raaf' — de nachtraaf, naar het schorre roepen in het donker. caledonicus betekent 'van Nieuw-Caledonië', en dat is ook de typelocatie. De Engelse naam verwijst naar nankeen, een geelbruine katoenstof uit Nanking, naar de kleur van de rug; het Nederlandse kwak en het Spaanse martinete zijn de gewone namen voor de nachtreigers.



