Alle soorten › Duifachtigen › Duiven › Rotsduif
Rotsduif | Columba livia
Rock Dove | Paloma bravía
De rotsduif is de duif van het stationsdak en het marktplein: een middelgrote, gedrongen duif die in Australië en Nieuw-Zeeland niet thuishoort maar er allang bij hoort. Alle vogels hier stammen af van tamme duiven die met Europese schepen meekwamen en zijn verwilderd, en daardoor is geen twee exemplaren precies gelijk — van het blauwgrijze wildtype met witte stuit tot roetzwart, wit, roodbruin of bont gevlekt.
Geluid
Een zacht, rollend en licht golvend gekoer met een nadruk halverwege: koe-roeoeoe-koe-koe, dat de man baltsend herhaalt terwijl hij met opgezette hals rondjes draait en buigt. Bij het opvliegen klinkt een scherpe, ratelende vleugelklap — een mechanisch geluid, geen stemgeluid — en bij schrik een kort, benauwd gegrom.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een duif van ruim dertig centimeter met een korte hals, een smalle zwartachtige snavel met een opvallend witte washuid erboven, rode tot roze poten en een oranjerood oog. Het wildtype is blauwgrijs met twee zwarte banden over de vleugel, een witte stuit die in de vlucht oplicht, een zwarte staartband en een groen- tot paarsglanzende hals. In de stad zie je daarnaast alle tussenvormen die het duivenfokken heeft opgeleverd; juist die bonte variatie binnen één groep is het betrouwbaarste kenmerk, want geen inheemse duif van dit gebied vertoont haar. In de vlucht zijn de spitse vleugels, de snelle slag en het scherp draaien typisch.
Verwarringssoorten
De witkopduif (Columba leucomela) van de oostelijke bossen lijkt in bouw op een rotsduif maar is donkerder, met een roomwitte kop en hals tegen een glanzend zwarte rug, en mijdt het straatbeeld. De Spitskuifduif (Ocyphaps lophotes) heeft een dunne rechtopstaande kuif en bronzen vleugelspiegels. Op Nieuw-Zeeland is de kereru (Hemiphaga novaeseelandiae) veel groter en zwaarder, groenbrons met een scherp afgesneden wit vest. Lastiger zijn ontsnapte post- en sierduiven van dezelfde soort: die horen gewoon bij het beeld en zijn niet af te scheiden.
Leefgebied
Gebouwen nemen de plaats in van de zeekliffen waar de soort van oorsprong broedt: richels van pakhuizen, brugpijlers, viaducten, kadeloodsen, graansilo's en parkeergarages. Foerageren gebeurt op de grond in winkelstraten, op pleinen, in parken en langs wegbermen, en verder op akkers en bij veevoeropslag buiten de stad. Aan de kust worden natuurlijke rotswanden en zeekliffen wel degelijk gebruikt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
In Australië in vrijwel alle grotere steden en plaatsen, met Darwin als bekende uitzondering; de vogel blijft er sterk gebonden aan bebouwing en akkerbouwland en dringt niet door in het binnenland. Op Nieuw-Zeeland van Northland tot Southland, het dichtst in steden en op het boerenland, met weinig waarnemingen in het centrale Noordereiland en langs de Westkust van het Zuidereiland; van de Chathams, de Snares en de Antipodes zijn losse vogels gemeld. Tamme duiven kwamen al met de eerste Europese schepen mee — de First Fleet had ze in 1788 aan boord — en de Nieuw-Zeelandse verwilderde vogels gaan terug op invoer voor duivenmelkerij en duivensport in de negentiende eeuw.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Kijk niet naar beneden maar omhoog: de vaste slaap- en broedrichels onder bruggen, op perronoverkappingen en achter de kroonlijst van oude pakhuizen wijzen de kolonie aan. Zoek in een groep steeds naar de vogel die nog het wildtype benadert, want dan zie je de witte stuit en de twee zwarte vleugelbanden waar het hele wereldwijde verhaal van de soort op rust.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC), en dat is in Australië en Nieuw-Zeeland een understatement: de soort is hier geen voorwerp van bescherming maar van beheer, vanwege bevuiling van gebouwen, schade in graanopslag en de rol van de vogel bij enkele ziekten. De echte natuurbeschermingsvraag ligt elders: in Europa en West-Azië is de zuiver wilde rotsduif door kruising met verwilderde vogels op veel plaatsen genetisch opgegaan in de stadsduif, zodat de oorspronkelijke soort zeldzamer is dan het straatbeeld doet vermoeden.
Wetenschappelijke naam
Columba livia | Gmelin, 1789
Johann Friedrich Gmelin beschreef de soort in 1789 in zijn uitgave van Systema Naturae als Columba livia; de naam bleef in dat geslacht, zodat auteur en jaartal zonder haakjes staan. Columba is het Latijnse woord voor duif, via het Griekse kolumbos 'duiker', naar de duikende vlucht. livia komt van middeleeuws Latijn livida, 'loodblauw', naar het verenkleed van de wilde vorm. Als neotype is een vogel van Fair Isle in Schotland aangewezen.



