Alle soortenPapegaaiachtigenKaketoes › Roze kaketoe

Roze kaketoe | Eolophus roseicapilla

Galah | Cacatúa galah

De roze kaketoe is de algemeenste kaketoe van Australië en in het binnenland de vogel die het beeld bepaalt: roze onderzijde, grijze rug, een bleekroze kuif die kort en breed omhoog komt. Hij is met de landbouw meegegroeid — graan en veedrinkplaatsen brachten hem tot in Tasmanië en het zuidwesten, waar hij eerder ontbrak.

Roze kaketoe (Eolophus roseicapilla)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In de vlucht een hoog, licht krassend tsjie-tsjie, aanhoudend en scherp, dat een overtrekkende troep al op afstand verraadt. Zittend een zachter, gerekt krieë en een keelachtig gemompel tussen partners in een boom. Vergeleken met de geelkuifkaketoe is hij bescheiden: geen van zijn roepen heeft die schrapende, doordringende schreeuw.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Middelgrote kaketoe van 35 tot 36 cm, met dieproze borst en buik, grijze rug en grijze vleugels, en een witroze kuif die kort en breed is en niet spits. In de vlucht valt het harde contrast tussen roze onderzijde en grijze bovenzijde op, en de losse zwenkende vlucht van hele troepen. Man en vrouw zijn gelijk gekleurd; het verschil zit in de iris, donkerbruin bij het mannetje en roodachtig bij het vrouwtje. Jonge vogels zijn doffer, met een grijzige waas over de borst.

Verwarrings­soorten

De Inca-kaketoe (Cacatua leadbeateri) is bleker en overwegend wit met een zalmroze waas, en draagt een lange rood-en-geel gebande kuif die alleen bij opwinding opengaat. De kleine witte kaketoe (Cacatua sanguinea) heeft dezelfde troepgewoonten en dezelfde stem, maar is geheel wit met een blauwe oogring en mist elk roze. In tegenlicht en op afstand lijken beide troepen op elkaar; let dan op de donkere bovenzijde, die bij de kleine witte kaketoe ontbreekt.

Leefgebied

Open landschap met bomen: weiland en akkerland met verspreide eucalypten, rivierbos langs kreken, en de randen van dorpen en steden. Hij moet dagelijks drinken en blijft daarom bij dammen, tanks en kreken; in mulga en acaciastruweel mét veewater zit hij, in echte zandwoestijn zonder water niet. Gesloten bos en regenwoud mijdt hij.

Verspreiding en trek

Over vrijwel heel Australië, met de hoogste dichtheden in de graanstreken van het oosten, het zuiden en het zuidwesten. In de negentiende eeuw was hij een vogel van het halfdroge binnenland; het rooien van bos, de graanteelt en de veedrinkplaatsen brachten hem naar de kusten, naar het zuidwesten en, na 1848, naar Tasmanië. In Nieuw-Zeeland gaat het om uitgezette vogels ten zuiden van Auckland. Omdat hij in Australië inheems is en de opmars daar zijn eigen werk was, staat hij hier niet als exoot aangemerkt.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem in het laatste uur van de dag bij een drinkplaats in open land: troepen komen dan in golven aan, cirkelen en laten zich in de dode takken van een eucalypt vallen. Op stoppelvelden en langs wegbermen loopt hij te grazen, in stadsparken zit hij het hele jaar. In de zomermaanden december en januari blijven de families met net uitgevlogen jongen bij elkaar; die jongen bedelen luid en verraden de troep.

Staat van instandhouding

Talrijk en toenemend, en een van de weinige Australische vogels die van de landbouw duidelijk beter is geworden. In graanstreken geldt hij plaatselijk als schadelijk en wordt hij bestreden, zonder dat dat op de aantallen ingrijpt. Verkeer eist een tol, en het verdwijnen van oude holle eucalypten beperkt hier en daar het aantal nestplaatsen.

Wetenschappelijke naam

Eolophus roseicapilla | (Vieillot, 1817)

Vieillot beschreef de soort in 1817 als Cacatua roseicapilla; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Bonaparte voerde het geslacht Eolophus in 1854 in, uit Grieks eos (dageraad) en lophos (kuif). roseicapilla betekent 'met roze hoofdhaar'; omdat capillus een zelfstandig naamwoord in bijstelling is, buigt de uitgang niet mee. De typelocatie luidt 'in de Indiën' en wordt begrepen als Nieuw-Zuid-Wales. De Engelse naam Galah komt uit het Yuwaalaraay.