Alle soortenZangvogelsMonarchen › Satijnmonarch

Satijnmonarch | Myiagra cyanoleuca

Satin Flycatcher | Monarca satinado

De satijnmonarch is de trekvogel onder de Australische monarch-vliegenvangers: hij broedt in de hoge, vochtige bossen van het zuidoosten en Tasmanië en brengt de winter door in Nieuw-Guinea. Het mannetje is diep glanzend blauwzwart met een zuiver witte buik, het vrouwtje draagt een warm oranje keel. En hij is, samen met de zilvermonarch, de klassieke Australische determinatievalkuil: twee soorten die op papier verschillen en in het veld vaak niet.

Satijnmonarch (Myiagra cyanoleuca)
Foto: Dominic Sherony — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luide, harde, raspende roep — een schurend tzzherr dat door het bos snijdt — afgewisseld met heldere, kortaf gefloten noten in korte reeksen. De satijnmonarch klinkt krachtiger, scheller en scherper dan de zilvermonarch, wiens roep zoemender, zachter en meer nasaal is. Dat verschil in stemkarakter is het enige kenmerk dat bij beide geslachten en alle kleden werkt, en het is dan ook het beste onderscheid tussen de twee soorten. Wie de vogels wil scheiden, doet er goed aan de opnames van allebei vooraf te beluisteren.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een vliegenvanger van vijftien tot zeventien centimeter die rechtop zit en voortdurend met de staart trilt. Het mannetje is van boven, op de kop en op de borst glanzend blauwzwart met een duidelijke violet- tot groenblauwe weerschijn bij goed licht; de zwarte borstbef loopt ver naar beneden door en eindigt in een scherpe, ronde rand tegen de witte buik. Het vrouwtje heeft blauwgrijze bovendelen met een glanzende donkere kop, en een dieporanje keel en borst die tot laag op de borst reiken. Jonge vogels lijken op het vrouwtje maar zijn doffer. De soort heeft naar verhouding lange, spitse vleugels — een trekvogelsilhouet.

Verwarrings­soorten

De zilvermonarch (Myiagra rubecula) is de grote valkuil, en het is eerlijker de moeilijkheid te erkennen dan hem weg te schrijven. Bij de mannetjes helpen drie dingen, alle drie relatief: de satijnmonarch is dieper blauwzwart met meer glans, terwijl de zilvermonarch doffer en grijzer — loodkleurig — oogt; de zwarte bef reikt bij de satijnmonarch verder naar beneden en eindigt scherper; en de vleugels zijn langer en spitser. Bij slecht licht, en dat is in het kronendak de regel, vallen die verschillen weg. De vrouwtjes zijn vrijwel niet te onderscheiden: de satijnmonarch heeft in de regel een dieper en uitgebreider oranje dat verder op de borst doorloopt, maar de variatie overlapt en op een enkele waarneming is een vrouwtje vaak beter onbenoemd te laten. Het beste onderscheid is de roep. Verder: de grote witkeelmonarch (Myiagra inquieta) heeft juist een zuiver witte keel zonder bef, en de zwarte monarch (Myiagra alecto) is bij het mannetje geheel zwart tot op de buik.

Leefgebied

Broedt in hoog, vochtig eucalyptusbos en in beboste gullies met een dicht kronendak, waar de vogel in de bovenste helft van de bomen jaagt en vanaf een tak uitvalt naar passerende insecten. Op doortrek verschijnt hij in veel bredere kost: droger woodland, regenwoudranden, mangrovegordels en tuinen met hoge bomen. In het winterkwartier op Nieuw-Guinea zit hij in bos- en bosranden van het laagland.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Broedvogel van oostelijk en zuidoostelijk Australië, van de Wet Tropics in Noord-Queensland tot Millicent in het zuidoosten van Zuid-Australië, inclusief Tasmanië en de Bass Strait-eilanden King en Flinders. De vogels trekken in de zuidelijke herfst noordwaarts en overwinteren op Nieuw-Guinea; de doortrek door Queensland is in maart en april en opnieuw in september en oktober goed merkbaar. Het is daarmee de enige Australische Myiagra die het continent in de winter grotendeels verlaat.

  • Broedvogel (zomer)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem in de zuidelijke lente en zomer hoog in vochtig bos en beboste gullies, en laat je door het bibberen van de staart naar de vogel leiden. Ga vervolgens eerst op de stem af: een luide, harde rasp wijst op deze soort, een zachter zoemen op de zilvermonarch. Zit er een vrouwtje in het kronendak zonder dat het geluid maakt, wees dan bereid de waarneming als 'satijn- of zilvermonarch' te noteren — dat is geen nederlaag maar nauwkeurigheid.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). Het broedareaal is groot en de soort is in geschikt hoog bos nog algemeen. Omdat zij afhankelijk is van hoog, vochtig bos met een gesloten kronendak, raakt de kap van oud bos haar directer dan de meer opportunistische zilvermonarch, en als volledige trekvogel is zij bovendien gevoelig voor veranderingen in zowel het broedgebied, de trekroute als het winterkwartier op Nieuw-Guinea. Harde aanwijzingen voor een landelijke afname ontbreken; de aandacht gaat vooral uit naar het behoud van oude, hoge bosopstanden in Zuidoost-Australië en Tasmanië.

Wetenschappelijke naam

Myiagra cyanoleuca | (Vieillot, 1818)

Louis Pierre Vieillot beschreef de vogel in 1818 als Platyrhynchos cyanoleucus; als vindplaats gaf hij Timor op, wat later als vergissing werd herkend — het materiaal kwam uit Sydney. Het geslacht Myiagra is gevormd uit het Oudgriekse muia ('vlieg') en agra ('vangst'). Het epitheton cyanoleuca combineert kuaneos ('donkerblauw') met leukos ('wit') en beschrijft precies het mannetje. De Engelse naam Satin Flycatcher, de Nederlandse Satijnmonarch en de Spaanse monarca satinado kiezen alle drie de satijnglans van dat blauwzwarte kleed.