Alle soortenSteltloperachtigenStrandlopers en snippen › Siberische snip

Siberische snip | Gallinago megala

Swinhoe's Snipe | Agachadiza del baikal

De siberische snip is de snip van het Australische noorden: een gedrongen, cryptisch bruine vogel die uit Siberië en Mongolië naar de billabongs van de Kimberley, het Top End en Kaap York komt. Hij is iets kleiner dan de Japanse snip en vliegt bij opstoten lager, rechter en stiller weg. In het veld is hij berucht moeilijk, en menige waarneming blijft bij 'snip onbepaald' staan.

Geluid

Bij het opvliegen klinkt een schorre, gedempte roep die maar één of twee keer wordt herhaald en dan stopt; hij is merkbaar lager en doffer dan bij de pijlstaartsnip en klinkt minder schril dan bij de Japanse snip. Een echt opgeschrikte vogel roept wat vaker, maar de soort is op de overwinteringsplaatsen in hoofdzaak zwijgzaam. Zang en baltsvlucht horen bij de broedgebieden in Siberië en Mongolië en zijn hier niet te horen.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een middelgrote, gedrongen snip van zevenentwintig tot negenentwintig centimeter, spanwijdte achtendertig tot vierenveertig centimeter, ongeveer honderdtwintig gram. De snavel is recht en stevig en ongeveer twee keer zo lang als de kop, bruin met een donkere punt; de poten zijn kort en olijfgroen tot grijsgroen. De wenkbrauwstreep is breder dan de oogdiameter aan de snavelbasis, wat bij de gewone snippen van Europa niet zo is, en in de vlucht valt een bleek vlak over de middelste bovenvleugeldekveren op. De witte achterrand van de armpennen ontbreekt vrijwel, en de tenen steken maar weinig voorbij de staart. In de hand is het beslissende kenmerk het aantal staartpennen: twintig tot tweeëntwintig, waarvan de buitenste vijf tot zeven paren geleidelijk smaller worden zonder ooit naaldsmal te zijn.

Verwarrings­soorten

De Japanse snip (Gallinago hardwickii) is de eerste die je moet uitsluiten: die is groter, langer van staart, spitser van vleugelpunt, vliegt bij het opstoten hoger en verder en in een duidelijker zigzag, en heeft achttien brede staartpennen. Het areaal helpt bovendien: ten zuiden van een lijn Camooweal–Iron Range is vrijwel elke snip de Japanse, ten noorden daarvan komen ze alle drie voor. De pijlstaartsnip (Gallinago stenura), die deze gids niet behandelt omdat hij voor Australië niet met zekerheid is aanvaard, heeft vier- tot achtentwintig staartpennen waarvan de buitenste tot echte naalden zijn versmald, vliegt hoger weg en roept schriller. In hetzelfde noordelijke moeras zit ook de Australische goudsnip (Rostratula australis), maar die heeft een aan de punt gebogen snavel, een witte schouderband en een trage vlucht met bungelende poten en verwart alleen wie hem nooit heeft gezien.

Leefgebied

Ondiepe zoete en brakke wetlands met modder en plantendekking: billabongs, lagunes, de dichtgegroeide randen van kreken en stuwtjes, natte graslanden en ondergelopen vlaktes. Hij houdt van iets drogere en grazigere randen dan de Japanse snip en foerageert vooral in de schemer en 's nachts, prikkend in zachte modder onder een dun laagje water. Dekking op loopafstand is de voorwaarde: hij verlaat de rietkraag of de zeggepol nooit ver.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Binnen het kaartvenster is hij een niet-broedende gast van het uiterste noorden van Australië: van de Kimberley in West-Australië door het Top End van het Noordelijk Territorium tot op het schiereiland Kaap York, met onder meer regelmatige waarnemingen bij McMinns Lagoon vlak bij Darwin. Verder naar het zuiden en oosten wordt hij zeer zeldzaam. Hij arriveert eind augustus tot begin september, iets later dan de Japanse snip, en trekt in maart en april weer weg. In Nieuw-Zeeland en op Norfolk komt hij niet voor.

  • Broedvogel (zomer)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem in november tot februari langs een billabong in het Top End, op de grazige, net niet natte rand waar hij liever staat dan in het kale slik. Loop langzaam en let op waar de vogel weer neerkomt, want een tweede keer opjagen levert meestal het betere zicht op staart en vleugel op. Fotografeer elke snip die je in het noorden opjaagt: de determinatie valt bijna altijd pas achteraf op het beeld, en een foto van de gespreide staart tijdens het poetsen is goud waard.

Staat van instandhouding

Niet in gevaar (LC): het broedareaal in centraal en zuidelijk Siberië en Mongolië is uitgestrekt en dunbevolkt, en er is geen aanwijzing voor een betekenisvolle afname. In Australië is de soort te schaars en te moeilijk te tellen om een trend op te hangen. De risico's die er zijn, liggen buiten het kaartvenster: het verdwijnen van tussenstops in de moerassen van Oost-Azië en de jacht op snippen in delen van Zuidoost-Azië. Binnen Australië komt de soort vrijwel alleen in dunbevolkt noordelijk wetland voor, waar de druk gering is.

Wetenschappelijke naam

Gallinago megala | Swinhoe, 1861

Robert Swinhoe beschreef de vogel in 1861 als Gallinago megala, naar materiaal uit China, en omdat de soort nooit van geslacht is gewisseld staan auteur en jaartal zonder haakjes. Het epitheton megala is Grieks voor 'groot' en slaat op het formaat ten opzichte van de gewone snip van Europa. De geslachtsnaam Gallinago is laatmiddeleeuws Latijn voor 'houtsnip, snip'. De Engelse naam eert Swinhoe zelf, die als Brits consulair ambtenaar in China honderden Oost-Aziatische vogels als eerste beschreef; de Nederlandse naam verwijst naar het broedgebied.