Alle soortenEendachtigenEenden, ganzen en zwanen › Slobeend

Slobeend | Spatula clypeata

Northern Shoveler | Cuchara norteño

De slobeend is de noordelijke tegenhanger van de Australische slobeend en in dit gidsgebied een echte zeldzaamheid: een zware, laag liggende eend met een reusachtige, lepelvormige snavel die bijna even lang is als de kop. Vrijwel alle vogels die Australië of Nieuw-Zeeland bereiken zijn mannetjes in prachtkleed, en die zijn met hun flesgroene kop, spierwitte borst en kastanjebruine flanken onmiskenbaar.

Slobeend (Spatula clypeata)
Foto: Andreas Trepte — CC BY-SA 2.5 · Wikimedia Commons

Geluid

In dit deel van de wereld hoor je hem zelden. Het mannetje heeft een gedempte dubbele roep, tok-tok, wat nasaal en houterig, vooral bij de balts op het water. Het vrouwtje kwaakt als een wilde eend, een reeks afnemende kwak-kwak-kwak-noten. Opvliegende vogels maken een zacht ratelend vleugelgeluid.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een eend van een halve meter met een spanwijdte van zeventig tot vijfentachtig centimeter, die door het gewicht van de snavel voorover in het water lijkt te hangen. Het mannetje in prachtkleed heeft een donker flesgroene kop zonder tekening, een breed wit borstschild, kastanjebruine flanken en buik, een zwarte snavel, oranje poten en een geel oog; in de vlucht lichten een lichtblauwgrijze voorvleugel en een groene spiegel op. Het vrouwtje is licht gevlekt bruin met een oranjebruine snavel en oranje poten. Kijk altijd eerst naar de snavel: die brede, naar voren verbredende lepel heeft geen enkele andere eend hier, behalve de Australische slobeend.

Verwarrings­soorten

De Australische slobeend (Spatula rhynchotis) is het enige echte probleem. Het mannetje daarvan heeft een blauwgrijze kop met een verticale witte maansikkel vóór het oog en géén wit borstschild; het mannetje van de slobeend heeft een egaal groene kop en juist wel die witte borst. Vrouwtjes van beide soorten zijn in het veld niet betrouwbaar te scheiden — een bruin slobeendvrouwtje in Nieuw-Zeeland of Australië wordt daarom vrijwel nooit als slobeend aanvaard. Het mannetje van de kastanjetaling (Anas castanea) heeft ook een groene kop en kastanjebruine flanken, maar is veel kleiner en heeft een gewone, smalle eendensnavel.

Leefgebied

Ondiepe, voedselrijke zoetwatermoerassen met een modderige bodem, waar hij zwemmend met de snavel door het wateroppervlak ploegt en het water door de fijne lamellen zeeft. Dwaalgasten duiken in dit gebied vooral op bij oxidatie- en rioolwatervijvers, ondiepe meeroevers en beschutte lagunes — plekken met veel plankton en kleine kreeftachtigen. Diep of snelstromend water gebruikt hij niet.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Een dwaalgast. Nieuw-Zeeland telt ongeveer vijfendertig aanvaarde waarnemingen, bijna allemaal van goed herkenbare mannetjes in prachtkleed; slechts één keer werd een paar vastgesteld, in augustus 1989 op Pauri Lake bij Whanganui. In 2017 arriveerden minstens vijf mannetjes tegelijk, en enkele daarvan hielden het tot in 2024 vol op dezelfde wateren. In Australië staat de soort eveneens als dwaalgast op de lijst, met een handvol gevallen. De broedgebieden liggen ver weg, in het noorden van Eurazië en Noord-Amerika.

  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Loop in Nieuw-Zeeland of Zuid-Australië de groepen Australische slobeenden op oxidatievijvers en ondiepe meren systematisch door en let alleen op de kop van de mannetjes: egaal groen zonder witte sikkel plus een witte borst is raak. Doe dat tussen november en maart, wanneer noordelijke vogels na de trek in het zuiden kunnen stranden, en neem een foto — een aanvaarde waarneming vraagt hier bijna altijd bewijs.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC): wereldwijd gaat het om miljoenen vogels, alleen al in Noord-Amerika ruim vijf miljoen. In Nieuw-Zeeland is de soort volledig beschermd, maar de echte risico's liggen buiten dit gidsgebied, in de verdroging en vervuiling van de Aziatische overwinteringsmoerassen. Voor Australië en Nieuw-Zeeland heeft de soort geen eigen beheerbelang: ze broedt er niet.

Wetenschappelijke naam

Spatula clypeata | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Anas clypeata; omdat ze in 2009 op grond van moleculair onderzoek naar het geslacht Spatula verhuisde, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Spatula werd in 1822 ingevoerd door Boie en is het Latijnse woord voor lepel of spatel. clypeata betekent 'met een schild', van clypeus, 'rond schild', naar de brede, schildvormige snavel. De typelocatie is Europa, in de praktijk beperkt tot Zweden.