Alle soortenZangvogelsWaaierstaarten › Streepborstwaaierstaart

Streepborstwaaierstaart | Rhipidura rufiventris

Northern Fantail | Abanico de timor

De streepborstwaaierstaart is de rustige onder de waaierstaarten. Waar zijn familieleden geen seconde stilzitten, blijft deze vogel rechtop op een tak in de halfschaduw hangen, staart gesloten, en wacht tot er een insect langsvliegt. Hij is een vogel van het natte noorden: mangrove, kreekbos en moessonbos, en bijna nooit ver van water.

Streepborstwaaierstaart (Rhipidura rufiventris)
Foto: GDW.45 — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een korte reeks heldere, dalende fluittonen, tjie-tjie-tjoe-tjoe, veel voller en muzikaler dan het ijle gepiep van de grijze waaierstaart en met langere tussenpozen. Daarnaast een hard, metaalachtig tjek als contact- en waarschuwingsroep, vaak een paar keer achter elkaar. Hij zingt weinig en zacht, zodat de vogel meestal eerder wordt gezien dan gehoord.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een forse waaierstaart, met de staart meegerekend rond de twintig centimeter, maar met nauwelijks elf tot veertien gram lichaam. De bovendelen zijn effen grijs, de vleugels donkergrijs met een bruine zweem. De keel is wit en die witte vlek loopt zijwaarts door tot onder de oordekveren. Over de borst ligt één brede grijze band met vage lichte streping; buik en onderstaartdekveren zijn wit tot vaalgeel. De staart is donkergrijs met witte zomen aan de buitenste pennen en wordt meestal gesloten gedragen.

Verwarrings­soorten

De grijze waaierstaart (Rhipidura albiscapa) is kleiner en onrustig, spreidt de staart voortdurend, heeft twee witte vleugelstrepen en een dun wit wenkbrauwstreepje, en mist de brede borstband. De arafurawaaierstaart (Rhipidura dryas) heeft een oranje stuit en borst. De mangrovewaaierstaart (Rhipidura phasiana) is bleker en veel kleiner. De zilvermonarch (Myiagra rubecula) zit even rechtop en stil, maar heeft een blauwgrijze glans en trilt met de staart in plaats van hem te spreiden.

Leefgebied

Mangrove, moessonbos en lianenstruweel, melaleucamoerasbos en het bos langs kreken en billabongs; daarnaast de vochtiger randen van het open eucalyptusbos. Hij jaagt in de middelste laag, van twee tot acht meter hoog, op open takken onder het bladerdak, en heeft daarvoor bos met ruimte tussen de stammen nodig. Water in de buurt is bijna altijd het patroon.

Verspreiding en trek

Noordelijk Australië, van Port Hedland en de Kimberley in West-Australië door de Top End van het Noordelijk Territorium en langs de Golf van Carpentaria tot het schiereiland Kaap York en verspreide plekken zuidwaarts tot Townsville. Daarbuiten Nieuw-Guinea, de Molukken en de Kleine Soenda-eilanden tot Timor toe, met een twintigtal ondersoorten; de Australische vogels horen bij de vorm isura. Standvogel, met hooguit lokale verschuivingen.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Loop een mangrovepad of een kreekoever af en kijk niet naar beweging maar naar stilstand: deze waaierstaart valt juist op doordat hij nergens op reageert. Let op de witte keelvlek die tot achter het oog doorloopt, en op de gesloten staart. In de droge winter, juni en juli, staat hij vaak op vaste posten langs een uitdrogende billabong (afgesneden rivierarm die alleen bij hoogwater doorstroomt).

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). De soort heeft een enorm areaal van Timor tot Kaap York en is in geschikt bos vrij algemeen, al is ze nergens talrijk. In Australië ligt haar terrein grotendeels buiten de landbouwzone; mangrove en moessonbos staan wel onder druk van kustontwikkeling en van veranderde brandregimes rond de kreekbossen. Zwijnen en waterbuffels beschadigen plaatselijk de onderlaag van het moerasbos.

Wetenschappelijke naam

Rhipidura rufiventris | (Vieillot, 1818)

Vieillot beschreef de vogel in 1818 als Platyrhynchos rufiventris; omdat hij later naar een ander geslacht ging staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Rhipidura werd in 1827 ingevoerd door Vigors en Horsfield, uit het Griekse rhipis, rhipidos, waaier, en oura, staart. rufiventris betekent roodbuikig, naar de vogels van Timor waarop de beschrijving berust; Vieillot dacht ten onrechte dat zijn exemplaar uit Australië kwam, en de Australische vogels hebben juist een witte buik.