Alle soorten › Zangvogels › Doornsnavels en verwanten › Vuurstuitheidesluiper
Vuurstuitheidesluiper | Hylacola pyrrhopygia
Chestnut-rumped Heathwren | Sedosito culirrojo
Een schuwe, veertien centimeter lange grondvogel van de heide en de dichte ondergroei van Zuidoost-Australië, met een roodbruine stuit die pas oplicht als hij wegvliegt. Buiten de broedtijd is hij vrijwel onzichtbaar; van juli tot november zingen man en vrouw vanaf half verscholen takjes en is hij ineens overal te horen.
Geluid
Een rijk, melodieus en langgerekt gekwetter met sterk wisselende noten, gezongen door beide geslachten vanaf een half verborgen zitplaats. Daarin verwerkt hij nabootsingen van andere vogels, wat voor een vogel van dit formaat opmerkelijk goed uitvalt. Het alarm is hard en schrapend. In de heide is hij meestal alleen aan dit geluid te vinden, want hij loopt liever dan dat hij vliegt.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Olijfbruin van boven, met een opvallende roodbruine stuit en bovenstaartdekveren die in de vlucht en bij het spreiden van de staart het best te zien zijn. De borst is gestreept, de buik grijzig beige. Beide geslachten hebben een dofwitte wenkbrauwstreep en gele ogen; snavel en poten zijn grijs. De staart is lang en wordt als bij een winterkoning omhoog gedragen. Er is geen wit vlek op de vleugel.
Verwarringssoorten
De malleeheidesluiper (Hylacola cauta) is de tweelingsoort en het enige echte probleem. Die heeft wél een wit vleugelvlek, een helderder witte wenkbrauwstreep, wittere onderdelen, een scherpere borststreping en een fellere roodbruine stuit. Waar beide voorkomen is het vleugelvlek het snelste kenmerk; voor het overige scheelt vooral het leefgebied, want deze soort houdt de oostelijke heide en de dichte bosondergroei en de malleeheidesluiper de mallee (laag, veelstammig eucalyptusstruweel van droog zuidelijk Australië) en de zandvlakteheide. De veldsluipers van het geslacht Calamanthus — Calamanthus fuliginosus, Calamanthus campestris en Calamanthus montanellus — zijn de naaste verwanten, maar leven in lage open vegetatie zonder struiklaag en zijn ook over de rug gestreept. De pieperstruiksluiper (Pyrrholaemus sagittatus) heeft een zwaar gestreepte kop en geen roodbruine stuit.
Leefgebied
Heide van de kust, de bergen en het achterland, en de dichte ondergroei van bos en open bos; in Zuid-Australië ook heidig, open eucalyptusbos en malleeformaties met meerdere lagen lage heidestruiken eronder. Hij zit bij voorkeur op ruggen, heuveltoppen en hellingen, soms in ravijnen. Hij foerageert op de grond op vliegen, spinnen, motten, mieren en cicaden, en neemt daarnaast graszaad.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Zuidoostelijk Australië, van de Granite Belt in Queensland door Nieuw-Zuid-Wales en Victoria tot in Zuid-Australië. Drie ondersoorten: pyrrhopygia in Nieuw-Zuid-Wales en Victoria, parkeri in de Mount Lofty Ranges en pedleri in de zuidelijke Flinders Ranges. Hij is standvogel en overal ongewoon tot schaars; de twee Zuid-Australische vormen zitten in kleine, van elkaar gescheiden gebieden.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Kom in de winter en het vroege voorjaar, tussen juli en november: dan zingt hij en is hij te vinden, de rest van het jaar niet. Zoek op ruggen en hellingen met een gesloten, meerlagige heidelaag en blijf op het pad staan luisteren in plaats van de dekking in te lopen. Als hij toch opvliegt, kijk dan meteen naar de stuit.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (LC), maar op deelstaatniveau in de problemen: bedreigd in Zuid-Australië en kwetsbaar in Victoria. De ondersoort parkeri van de Mount Lofty Ranges staat zowel federaal als in Zuid-Australië als bedreigd te boek; bij een kartering werd hij nog op slechts 25 van 83 op het oog geschikte plekken gevonden, met de grootste populatie tussen Black Hill en Cleland Conservation Park. De oorzaken zijn woningbouw, versnippering, achteruitgang van de onderlaag door begrazing en exoten, ongeschikte brandregimes, sterfte van de struiklaag door de schimmel Phytophthora cinnamomi, en predatie door vossen en verwilderde katten.
Wetenschappelijke naam
Hylacola pyrrhopygia | (Vigors & Horsfield, 1827)
Vigors en Horsfield beschreven de vogel in 1827 als Acanthiza pyrrhopygia, naar een exemplaar uit Nieuw-Zuid-Wales; omdat de soort later naar Hylacola verhuisde, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De geslachtsnaam, in 1843 door Gould ingevoerd, is samengesteld uit het Griekse hulē, bos of struikgewas, en het Latijnse colere, bewonen. pyrrhopygia betekent vuurstuit, uit het Griekse purrhos, vuurrood, en pugē, stuit — precies wat de Nederlandse naam Vuurstuitheidesluiper en de Engelse naam Chestnut-rumped Heathwren allebei benoemen.


