Alle soorten › Stormvogelachtigen › Albatrossen › Wenkbrauwalbatros

Wenkbrauwalbatros | Thalassarche melanophris

Black-browed Albatross | Albatros ojeroso

De wenkbrauwalbatros is de albatros die in Australische en Nieuw-Zeelandse wateren het vaakst voor de boeg opduikt: een middelgrote mollymawk (albatros van het geslacht Thalassarche) met een witte kop en witte onderdelen, een donkere mantel en bovenvleugel, en een zware oranjegele snavel met een oranjerode punt. De zwarte streep langs het oog geeft hem de norse blik waaraan hij zijn naam dankt, en die streep is samen met de snavelkleur op zee vaak al genoeg voor de determinatie.

Wenkbrauwalbatros (Thalassarche melanophris)
Foto: Murray Foubister — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op open zee zwijgt hij meestal, maar rond een trawler die zijn netten leegt klinkt een schor grommen en kakelen tussen vechtende vogels. Op de kolonie hoort het geluid bij het vertoon: een luid, tweetonig balken aaah-aah waarbij de snavelhelften zichtbaar trillen, afgewisseld met droog geklepper en een hoog gejank tijdens het wederzijds poetsen. Een jong dat om voedsel vraagt geeft een aanhoudend, piepend fluiten dat boven het geluid van de branding uitkomt.

Luister: RoepXC1079222

Opname: Meena Haribal — CC BY-NC-SA 4.0 · The Rookery, Saunder Island, Falkland Islands, United Kingdom · xeno-canto

Herkenning

Een mollymawk (albatros van het geslacht Thalassarche) van tachtig tot vijfennegentig centimeter en drie tot bijna vijf kilo, met een spanwijdte van twee tot ruim tweeënhalve meter. Kop, hals, borst en buik zijn wit, mantel, bovenvleugel en staart donkergrijs tot zwart. De snavel is het kenmerk: egaal oranjegeel met een dieper oranjerode haak, zonder de zwarte zijkanten van de geelneusalbatrossen en zonder het grijsgroen van de witkapgroep. De zwarte wenkbrauw loopt als een korte, dikke streep voor en boven het donkere oog door. Van onderen is de vleugel wit met brede, onregelmatige zwarte randen — de voorrand het breedst — zodat er een witte middenbaan van ruwweg de halve vleugelbreedte overblijft. Jonge vogels hebben een hoornkleurige snavel met donkere punt, een grijze waas over de hals als een kraag, en een veel donkerder ondervleugel; ze doen er vijf tot tien jaar over om het kleed van de ouders te krijgen. Vogels van Campbell (de vorm impavida, die deze gids bij Thalassarche melanophris houdt) hebben een honingkleurige iris en bredere donkere ondervleugelranden.

Verwarrings­soorten

De grijskopalbatros (Thalassarche chrysostoma) is de klassieke vergissing bij jonge vogels: die heeft een geheel grijze kop met een wit boogje achter het oog en een zwarte snavel met gele ribbels boven én onder, terwijl de jonge wenkbrauwalbatros een vuile grijze kraag heeft en een hoornkleurige snavel met donkere punt. De Buller-albatros (T. bulleri) en de beide geelneusalbatrossen (T. carteri, T. chlororhynchos) hebben alle een slanke zwarte snavel met een gele ruglijn en een veel smallere zwarte ondervleugelrand. De witkapalbatros (T. cauta) en Salvins albatros (T. salvini) zijn groter en breder van vleugel, hebben een grijsgroene of blauwgrijze snavel en een vrijwel witte ondervleugel met alleen een zwart duimvlekje in de oksel. De grote albatros (Diomedea exulans) en de zuidelijke koningsalbatros (D. epomophora) zijn een halve meter langer en krijgen wit in de bovenvleugel. De roetkopalbatros (Phoebetria palpebrata) en de zwarte albatros (P. fusca) zijn geheel donker met een wigvormige staart en missen elk wit op kop en onderdelen.

Leefgebied

Continentaal plat en vooral de rand daarvan, opwellingen en fronten, van subtropisch water tot in de subantarctische zee. Hij volgt trawlers en beugschepen en verzamelt zich bij honderden achter een schip dat afval loost. Van alle albatrossen komt hij het dichtst onder de kust: in Nieuw-Zeeland vist hij tot in de baaien en soms tot in de havenmond. Broeden gebeurt in kolonies op grasrijke klifhellingen en tussockterrassen (grasland van losse, hoge polvormende grassen, vooral in Nieuw-Zeeland) van subantarctische eilanden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Binnen het venster van deze gids broedt hij op Bollonseiland bij de Antipoden (zo'n honderdtwintig paar), op Campbell (een handvol paren van de nominaatvorm naast ruim twintigduizend paar Campbellvogels) en met één paar op Toru bij de Snares, en op Australisch gebied op Macquarie en op Heard en McDonald. Buiten de broedtijd is hij talrijk langs de hele zuidkust van Australië en rond heel Nieuw-Zeeland, in de winter noordwaarts tot voor Queensland en het noorden van het Noordereiland. De grootste aantallen liggen ver van de kolonies, op de Patagonische plaat en voor Zuid-Afrika, maar in Australisch-Nieuw-Zeelandse wateren is hij de meest gemelde albatros van allemaal.

  • Jaarrond
  • Winter
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Neem in de winter een pelagische boottocht uit Wollongong of Sydney, uit Port Fairy of Portland in Victoria, uit Eaglehawk Neck in Tasmanië of uit Kaikoura; achter het visafval zit hij bijna altijd bij de eerste vogels. Kijk eerst naar de snavel — egaal oranjegeel met rode punt — en daarna naar de ondervleugel: brede zwarte randen met een smalle witte middenbaan. Bij een stevige aanlandige storm is hij soms vanaf een kaap te zien, iets wat voor de meeste andere mollymawks (albatrossen van het geslacht Thalassarche) niet opgaat.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC), sinds 2013 afgevoerd van de rode categorieën nadat de stand op de Falklands en Zuid-Georgië zich herstelde: ruwweg 1,2 miljoen vogels en meer dan zeshonderdduizend broedparen wereldwijd. Dat maakt hem niet zorgeloos: hij is de zeevogel die wereldwijd het vaakst als bijvangst in de beug- en trawlvisserij omkomt, en in Nieuw-Zeelandse wateren gaan er elk jaar vogels in netten en aan haken verloren. De kolonies van de nominaatvorm binnen deze gids zijn klein — zo'n honderdtwintig paar op de Antipoden en enkele tientallen op Macquarie — en dus gevoelig voor verlies van individuele vogels.

Wetenschappelijke naam

Thalassarche melanophris | (Temminck, 1828)

Temminck beschreef de soort in 1828 als Diomedea melanophris, met Kaap de Goede Hoop als typelocatie; auteur en jaartal staan tussen haakjes, want ze is later naar Thalassarche verhuisd, het geslacht dat Reichenbach in 1853 invoerde. Het epitheton komt van het Grieks melas ('zwart') en ophrys ('wenkbrauw'), naar de donkere streep boven het oog; men treft ook de spelling melanophrys aan. De Maori-naam toroa geldt voor albatrossen in het algemeen, en de Engelse naam mollymawk komt van het Nederlandse 'mallemok'.