Alle soortenZangvogelsDoornsnavels en verwanten › Westelijke witbrauwstruiksluiper

Westelijke witbrauwstruiksluiper | Sericornis maculatus

Spotted Scrubwren | Sericornis maculatus

De westelijke witbrauwstruiksluiper is het struiksluipertje van de zuidwestelijke en zuidelijke kust van Australië: een bruin, kortpotig vogeltje met een scherp getekend gezicht en een bleek oog, dat in kustkreupelhout en tuinstruweel op en bij de grond scharrelt. Hij werd pas in 2019 als aparte soort erkend en is buiten zijn areaal nergens te verwarren.

Westelijke witbrauwstruiksluiper (Sericornis maculatus)
Foto: Paulweberphoto — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het lied is een luide, hoge reeks die vaak als tsj-wiep tsj-wiep wordt weergegeven, herhaald in korte strofen vanuit de dekking; het klinkt hard voor de afmeting van de vogel en draagt over een tuin of duinstruweel ver genoeg om de zanger niet te kunnen plaatsen. Daarnaast is er een scherp, scheldend geratel bij verstoring, vaak door beide partners tegelijk, en een dun contactpiepje. Zang klinkt het hele jaar, met een duidelijke piek in het zuidelijke voorjaar, van augustus tot november.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Elf tot veertien centimeter, olijfbruin boven en vuilwit tot lichtgrijs onder. Het gezicht draagt de kenmerken van de soort: een brede, scherp afgetekende witte wenkbrauwstreep en een witte baardstreep, met daartussen een donkere wangvlek, en een bleek crèmekleurige iris. Op de vleugelboeg staat een zwarte vlek met witte vlekjes; de keel is wit met fijne donkere strepen, wat de soort haar Engelse naam Spotted Scrubwren heeft opgeleverd. Het mannetje heeft zwarte teugels, het vrouwtje grijze tot bruine; jonge vogels hebben een grijze snavel, een dof grijs oog en een vage gezichtstekening.

Verwarrings­soorten

De oostelijke witbrauwstruiksluiper (Sericornis frontalis) is vrijwel identiek en werd tot 2019 met deze soort tot één soort gerekend, maar komt pas ten oosten van Adelaide voor; waar men in West-Australië staat, is verwarring uitgesloten. Genetisch blijkt maculatus zelfs verder van frontalis af te staan dan de Tasmaanse nachtegaalstruiksluiper (Sericornis humilis), die op haar beurt donkerder is en een minder schone witte keel heeft. In het veld in het zuidwesten is de echte vraag eerder of men met een doornsnavel te maken heeft: de Kaap Leeuwin-doornsnavel (Acanthiza inornata) is kleiner, egaler bruin, mist de witte wenkbrauw en de gevlekte keel en foerageert in het gebladerte in plaats van op de grond.

Leefgebied

Kustkreupelhout op zand, kwongan-heide met banksia en hakea, de struiklaag van jarrah- en karribos, duinvegetatie, kloven en de begroeide randen van kreken. De eis is steeds dat er dicht laag struweel staat waar de vogel in kan verdwijnen. Hij zit veel op de grond tussen strooisel en dode takken en klimt zelden hoger dan een paar meter. Tuinen en parken in Perth en Albany met een inheemse struiklaag worden vanzelfsprekend bewoond.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Kustzone van zuidelijk Australië, van Adelaide westwaarts door Zuid-Australië en langs de hele zuidwestkust tot Shark Bay in West-Australië. Vier ondersoorten verdelen dat gebied: maculatus van Bremer Bay tot Jurien Bay, balstoni van Jurien Bay noordwaarts tot Shark Bay, ashbyi op Kangaroo Island en mellori in kustgebieden van Zuid-Australië en het uiterste zuidoosten van West-Australië. De soort is standvogel; er is geen seizoenstrek en de territoria worden jaarrond bezet.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga in het vroege voorjaar in de eerste uren na zonsopgang naar een pad door duinstruweel of kwongan (soortenrijk heideachtig struweel van zuidwestelijk Australië) bij Albany, Margaret River of Kalbarri en volg het harde tsj-wiep. De vogel reageert sterk op verstoring aan de rand van zijn territorium en komt dan vaak kort omhoog tot in een lage struiktop, met opgezette keelveren. Let op het gezicht: wenkbrauw, baardstreep en bleek oog zijn samen genoeg voor een zekere waarneming.

Staat van instandhouding

De soort is in de recente wereldlijsten nog niet apart beoordeeld en staat daarom als niet geëvalueerd (NE); als onderdeel van het witbrauwstruiksluiper-complex gold de status Niet bedreigd, en niets wijst op een andere uitkomst zodra de aparte beoordeling volgt. Hij is algemeen binnen zijn kustareaal en past zich goed aan aan tuinen en reservaatranden. Het verlies van kustkreupelhout aan bebouwing, te frequente branden in kwongan-heide en verwilderde katten zijn de lokale drukfactoren. Ik heb geen betrouwbare schatting van de wereldpopulatie gevonden en laat een getal daarom achterwege.

Wetenschappelijke naam

Sericornis maculatus | Gould, 1847

Gould beschreef de vogel in 1847 als Sericornis maculatus, met Albany als vastgestelde typelocatie; auteur en jaartal staan zonder haakjes omdat het geslacht sindsdien gelijk is gebleven. maculatus is Latijn voor ‘gevlekt’ en slaat op de fijn gestreepte, gevlekt ogende keel, waaraan ook de Engelse naam Spotted Scrubwren is ontleend. Sericornis komt van Grieks serikos (zijden) en ornis (vogel). De Nederlandse naam van dit project zet ‘westelijke’ tegenover ‘oostelijke’ om de splitsing van 2019 zichtbaar te maken. Voor deze soort is nog geen ingeburgerde Spaanse naam bekend; in de Spaanse tekst wordt daarom de wetenschappelijke naam gebruikt.