Alle soorten › Stormvogelachtigen › Zuidelijke stormvogeltjes › Wilson stormvogeltje
Wilson stormvogeltje | Oceanites oceanicus
Wilson's Storm Petrel | Golondrina de mar
Het wilsonstormvogeltje is nauwelijks groter dan een zwaluw en geldt als een van de talrijkste vogels ter wereld. Hij broedt in de zuidzomer rond Antarctica en trekt daarna over de evenaar naar het noordelijk halfrond, zodat hij in de wateren van dit gebied juist in het zomerhalfjaar te zien is: van november tot april, en het talrijkst rond de jaarwisseling.
Geluid
Op zee zwijgt hij vrijwel altijd; boven een voedselplek klinkt hooguit een zacht, hoog gepiep tussen tientallen vogels door. Bij de broedholen, ver ten zuiden van dit gebied, ratelt hij snel en aanhoudend en eindigt de reeks in een lang uitgehaald krrr-ie. Wie hem in Australische of Nieuw-Zeelandse wateren ziet, ziet hem zwijgend.
Opname: Kevin Guille — CC0 · Mayes island, France · xeno-canto
Herkenning
Een klein, roetzwart stormvogeltje van achttien centimeter met een brede, rechte witte stuitband die ook op de flanken en tot onder de staart doorloopt. Over de bovenvleugel loopt een vale grijze band, de staart is kort en recht afgesneden, en de lange zwarte poten steken in de vlucht duidelijk voorbij de staartpunt uit. Tussen de tenen zitten heldergele zwemvliezen, van dichtbij een fraai en sluitend kenmerk. Man en vrouw zijn gelijk en het jonge kleed wijkt niet af. De vlucht is direct met snelle, ondiepe slagen en korte glijvluchten; boven voedsel houdt hij de vleugels hoog in een V en huppelt hij met de poten over het wateroppervlak.
Verwarringssoorten
Het madeirastormvogeltje (Hydrobates castro) en het vaal stormvogeltje hebben een ingesneden of gevorkte staart, langere vleugels en poten die niet voorbij de staart uitsteken, en vliegen schokkeriger of juist zeilend. De grotere Fregetta-stormvogeltjes — het zwartbuik- en het witbuikstormvogeltje — hebben een witte buik en een veel zwaardere bouw. Het Nieuw-Zeelandse stormvogeltje heeft eveneens een witte buik, maar dan zwaar gestreept. Sta een vogel dus niet toe zich met de stuitband alleen te laten benoemen: kijk naar de staartvorm en of de poten uitsteken.
Leefgebied
Open zee, met een voorkeur voor de rand van het continentaal plat en voor de plaatsen waar stroming voedsel aan de oppervlakte brengt. Hij volgt trawlers en walvissen, verzamelt zich boven olie- en visresten en zit binnen dit gebied vooral boven de helling voor Nieuw-Zuid-Wales en in de Bass Straat. Van de kust af is hij zelden te zien; hij komt alleen aan land om te broeden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
De broedplaatsen liggen op Antarctica zelf en op de eilanden van de zuidelijke ijszee, ten zuiden van dit gebied, in spleten en steenpuin; er wordt gelegd van december tot januari. Na het broeden trekt de hele populatie noordwaarts, tot in de Noord-Atlantische Oceaan en de Arabische Zee, en keert in het zuidelijke voorjaar terug. In Australische en Nieuw-Zeelandse wateren is hij daardoor een zomervogel, aanwezig van oktober of november tot april, met de hoogste aantallen van december tot februari.
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Neem een pelagische tocht uit Wollongong, Port Stephens of Portland tussen november en maart en let op de kleine vogels achter het aas: het wilsonstormvogeltje komt het dichtst bij de boot en blijft er het langst. Kijk dan naar de gele zwemvliezen en naar de poten die voorbij de staart steken — met de verrekijker op vijftien meter is dat op één blik te zien.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC), met een wereldpopulatie die in de miljoenen loopt en die niet meetbaar afneemt. Bijvangst speelt bij deze soort nauwelijks een rol; wel wordt hij aangetrokken door de verlichting van schepen en onderzoeksstations, en hij neemt plastic op met zijn voedsel. Op de broedplaatsen is de belangrijkste onzekerheid het krimpen van het zee-ijs en van het krill dat daarvan afhangt.
Wetenschappelijke naam
Oceanites oceanicus | (Kuhl, 1820)
Kuhl beschreef de vogel in 1820 als Procellaria oceanica; omdat hij later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Oceanites werd in 1840 ingevoerd door Keyserling en Blasius, naar de Okeaniden, de zeenimfen uit de Griekse overlevering. oceanicus betekent van de oceaan. Kuhl noemde geen typelocatie; Murphy wees in 1918 Zuid-Georgië aan. De Nederlandse en Engelse naam eren Alexander Wilson, de Schots-Amerikaanse grondlegger van de vogelkunde in Noord-Amerika.

