Alle soortenZangvogelsHoningeters › Witkinhoningeter

Witkinhoningeter | Melithreptus albogularis

White-throated Honeyeater | Mielero goliblanco

De witkinhoningeter is de kleinste diadeemhoningeter en de enige die het tropische noorden echt bewoont. Hij ziet eruit als een verkleinde uitgave van de diadeemhoningeter: zwarte kop, witte nekband, olijfgroene rug en witte onderdelen. Twee dingen zetten hem apart — de kale huid boven het oog is blauwwit in plaats van rood, en het wit van kin en keel loopt helemaal door tot aan de snavelbasis, wat de soort haar naam heeft gegeven. In de savanne van Noord-Australië is hij een van de talrijkste kleine honingeters.

Witkinhoningeter (Melithreptus albogularis)
Foto: Jss367 — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Eenvoudige, hoge fluittonen, los gegeven of in korte stoten, en opvallend genoeg vrijwel altijd op dezelfde toonhoogte. Dat is het bruikbaarste kenmerk van de soort, want de diadeemhoningeter (Melithreptus lunatus), waarmee hij in Queensland samen voorkomt, geeft juist reeksen met wisselende toonhoogte. Daarnaast klinkt een kort, hard tjip als contactroep tussen de leden van een groepje, en bij onrust een snel ratelend gekwetter.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

De kleinste van het geslacht, elf en een halve tot veertien en een halve centimeter, met een fijne, spitse snavel. De kop is zwart, de bovendelen olijfgroen tot olijfgrijs, de onderdelen zuiver wit en veel schoner dan bij de verwanten. Kin en keel zijn wit tot aan de snavelbasis, zodat het zwart van de kop als een scherpe kap ophoudt. De witte nekband is breed en lang en loopt aan weerszijden ver naar voren door, tot bijna tegen de kale huid boven het oog aan. Die huid is blauwwit tot bleekblauw — in goed licht een klein maar doorslaggevend kenmerk. Snavel en poten zijn donker. Jonge vogels zijn valer, met een bruin aangelopen kop en een geel aandoende snavelbasis.

Verwarrings­soorten

De diadeemhoningeter (Melithreptus lunatus) is de hoofdzaak: die overlapt in oostelijk Queensland en het noordoosten van Nieuw-Zuid-Wales en heeft rode tot oranje kale huid boven het oog, een smallere nekband die duidelijk vóór het oog ophoudt, een zwarte in plaats van witte kin, en hij is iets groter en iets voller van kleur. In het veld is de stem het snelst: gelijkblijvende hoge fluittonen tegenover wisselende reeksen. De zwartkinhoningeter (Melithreptus gularis) heeft eveneens blauwe huid boven het oog, maar is merkbaar groter en zwaarder, met een helderblauwe in plaats van blauwwitte oogvlek, een olijfgele tot goudkleurige rug en een zwarte wig die van de kin over de keel doorloopt — precies andersom dan bij deze soort. De bruine diadeemhoningeter (Melithreptus brevirostris) heeft een bruine kop en een complete lichte oogring. De swandiadeemhoningeter (Melithreptus chloropsis), de tasmaanse honingeter (Melithreptus validirostris) en de zwartkophoningeter (Melithreptus affinis) komen in het verspreidingsgebied van deze soort niet voor.

Leefgebied

Veel ruimer in zijn keuze dan de diadeemhoningeter: eucalyptussavanne en open woodland van het tropische noorden, droog eucalyptusbos, nat sclerofylbos aan de oostkust, melaleucamoerasbos en beboomde vloedvlaktes, en verder tuinen, parken en straatbeplanting in steden als Darwin, Cairns en Brisbane. Hij foerageert in de kroon en aan de buitenste twijgen, waar hij nectar en lerp van eucalyptus en melaleuca neemt en daarnaast insecten en spinnen plukt. Broedt van juli tot december; het nest is een stevig kopje van bast en grassen in een takvork, met doorgaans twee eieren. Paren houden het hele jaar door een territorium van ruwweg drie hectare bezet.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Tropisch noordelijk Australië van de Kimberley door het Noordelijk Territorium en de Golf van Carpentaria tot Kaap York, en vandaar zuidwaarts langs de oostkust van Queensland tot in het noordoosten van Nieuw-Zuid-Wales. Buiten Australië komt hij in de savannes van zuidelijk en oostelijk Nieuw-Guinea voor, zodat hij anders dan de meeste van zijn verwanten geen Australische endeem is. Hij ontbreekt in het droge binnenland ten zuiden daarvan, in het zuiden en zuidwesten van het continent en op Tasmanië, en komt in Nieuw-Zeeland niet voor. Hij is in hoofdzaak standvogel.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

In de streek rond Brisbane is dit veruit de gewoonste van de twee, terwijl de diadeemhoningeter er schaars is — op North Stradbroke Island en Bribie Island zit alleen deze soort. Laat u daarom niet gek maken door de kleine kopverschillen als u het geluid al hebt: een reeks gelijke hoge fluitjes hoort bij deze vogel. Wilt u het toch zien, wacht dan tot hij zich naar u toe draait en kijk naar de kin. Wit tot aan de snavel betekent deze soort; loopt het zwart van de kop tot onder de snavel door, dan hebt u de diadeemhoningeter.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC) en over zijn hele noordelijke areaal gewoon tot talrijk; van de diadeemhoningeters is dit een van de minst kwetsbare, omdat hij zowel in savanne als in stadsgroen terechtkan. BirdLife International noteert desondanks een licht dalende trend, wat in het noorden vooral met de veranderde brandregimes in de savanne en met begrazing van de ondergroei in verband wordt gebracht. Voor zover bekend is er geen gerichte bescherming nodig; behoud van oude, bloeiende eucalypten en melaleuca's in beweid en bebouwd land komt de soort het meest ten goede.

Wetenschappelijke naam

Melithreptus albogularis | Gould, 1848

Gould beschreef de soort in 1848 als Melithreptus albogularis; auteur en jaartal staan zonder haakjes, want ze is altijd in dit geslacht gebleven. Het epitheton is gevormd uit het Latijnse albus, 'wit', en gula, 'keel'. De Engelse naam White-throated Honeyeater en de Spaanse mielero goliblanco geven dat rechtstreeks weer, en de Nederlandse naam witkinhoningeter wijst op hetzelfde kenmerk, alleen dan op de kin. Dat is inhoudelijk het scherpst: het gaat juist om het wit onder de snavel, dat de soort scheidt van de zwartkinhoningeter (Melithreptus gularis), waarbij daar een zwarte wig zit.