Alle soorten › Zangvogels › Witkoppen › Witkopmohoua
Witkopmohoua | Mohoua albicilla
Whitehead | Mohoua cabeciblanco
De witkopmohoua is een bosvogel van het Nieuw-Zeelandse Noordereiland met een sneeuwwitte kop en onderzijde, die in luidruchtige groepjes door de kronen trekt. Hij hoort bij een familie van drie soorten die uitsluitend in Nieuw-Zeeland voorkomt. Op het Noordereiland is hij de enige gastheer van de langstaartkoekoek.
Geluid
Een aanhoudend, kanarieachtig getjilp uit de kronen, waarin een reeks vieoe vieoe vieoe overgaat in een raspend zir zir zir zir; daaraan herkent men een groepje op afstand. Daartussen klinkt voortdurend zacht gepiep waarmee de vogels elkaar in het bladerdek bijhouden. De soort laat zich het hele jaar horen, ook in de winter, wanneer de groepen het grootst zijn. In de zomer klinkt er de bedelroep van een jonge langstaartkoekoek doorheen, veel zwaarder en hijgeriger dan alles wat een mohoua zelf voortbrengt.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Vijftien centimeter en vijftien tot achttien gram: compact, kortstaartig en rondkoppig, met een dun zwart snaveltje, zwarte poten en een donker oog. Het mannetje heeft kop, keel en onderzijde zuiver wit, scherp begrensd tegen de grijsbruine rug, vleugels en staart. Het vrouwtje heeft dezelfde tekening maar met een bruinige waas over kruin en nek, zodat het wit minder helder oogt. Jonge vogels zijn valer en bruiner op de kop. De vogel beweegt onrustig, hangt vaak ondersteboven aan dunne twijgen en houdt de staart daarbij iets gespreid.
Verwarringssoorten
De geelkopmohoua (Mohoua ochrocephala) heeft een gele kop en zit alleen op het Zuidereiland; de twee komen nergens samen voor. De pipipi (Mohoua novaeseelandiae) is bruin met een gestreepte kop en eveneens van het Zuidereiland. Op het Noordereiland is de grijze zanger de enige verwarringssoort: die is kleiner, grijs in plaats van wit, en heeft een rode iris. Een vaal jong mannetje kan even een vrouwtje lijken; let dan op hoe scherp de grens tussen kop en rug is.
Leefgebied
Hoog inheems bos van het Noordereiland — podocarpen-loofbos, beukenbos en kauribos — en dichte struikvegetatie op oud kapland. Ook volgroeide dennenplantages worden bewoond, mits er onderbegroeiing staat. De vogels werken de hele kroonlaag af, van de onderste twijgen tot in de top, en zijn niet aan één boomsoort gebonden. Open weide is een barrière: de soort vliegt slecht en steekt kale stroken zelden over, wat versnipperd bos voor haar onbruikbaar maakt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Alleen het Noordereiland van Nieuw-Zeeland, en daar alleen ten zuiden van een lijn Pirongia — Hamilton — Te Aroha; ten noorden daarvan is de soort verdwenen. Van nature ook op Little Barrier en Kapiti. Sinds de laatste decennia is hij met succes uitgezet op tal van eilanden en in omheinde vastelandsreservaten, zodat het areaal weer groeit. Trekken doet hij niet; wel worden de groepen in de winter, in juni en juli, groter en zwerven ze verder rond het broedterrein.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek het geluid en niet de vogel: een groepje verraadt zich door aanhoudend getjilp uit de kronen en is in een halve minuut voorbij. Kapiti en Tiritiri Matangi zijn de zekerste plekken; in de Waitakere Ranges en de bossen van Pureora zit hij ook. Wie in de zomer, van december tot februari, een zwaar en hijgerig bedelgeluid hoort, kijkt naar een jonge langstaartkoekoek die door mohoua's wordt gevoerd.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd, en het areaal groeit door uitzettingen, maar de soort is uit het noorden van het Noordereiland verdwenen en keert daar alleen terug waar roofdieren worden bestreden. Ratten, hermelijnen en possums plunderen de nesten; het vrouwtje broedt alleen en is daarbij kwetsbaar. Waar een reservaat wordt omheind en leeggehaald, neemt de dichtheid binnen enkele jaren sterk toe.
Wetenschappelijke naam
Mohoua albicilla | (Lesson, 1830)
René Primevère Lesson beschreef de vogel in 1830 als Fringilla albicilla, bij de vinken; omdat de soort later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Dezelfde Lesson voerde het geslacht Mohoua in 1835 in, ontleend aan de Māori-naam voor de geelkopmohoua. albicilla is samengesteld uit Latijn albus ('wit') en de uitgang -cilla, die in vogelnamen uit Motacilla is overgenomen. De typelocatie is de Bay of Islands op het Noordereiland — een streek waar de soort tegenwoordig niet meer voorkomt.




