Alle soorten › Zangvogels › Prachtvinken › Zonastrild
Zonastrild | Neochmia phaeton
Crimson Finch | Diamante escarlata
De zonastrild is de vuurrode astrild van het tropische noorden: een slanke vogel met een karmijnrood gezicht, karmijnrode flanken en een lange, spits toelopende rode staart, die vrijwel nooit ver van permanent water met pandanus te vinden is. Hij is druk, luidruchtig en uitgesproken vechtlustig — een groepje aan de oever van een kreek in de Kimberley of het Top End is zelden stil.
Geluid
De roep is een hard, metaalachtig en iets knetterend tsjek of tsjet, vaak in een snelle reeks van drie tot zes noten uitgestoten bij opvliegen of ruzie; het geluid is veel scherper en harder dan dat van de doornastrild en draagt over een kreekbedding heen. Daarnaast klinkt een hoger, ijl contactgeluid tussen foeragerende vogels. De zang van het mannetje is een zacht, hees en sissend deuntje van enkele seconden, dat in het lawaai van een pandanuskreek makkelijk wegvalt; hij wordt gebracht met opgezette borstveren en een op en neer wippende beweging op een grasstengel.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een slanke astrild van twaalf tot veertien centimeter waarvan de lange, spitse staart bijna de helft inneemt. Het mannetje heeft een diep karmijnrood gezicht, een karmijnrode keel, borst en flanken met daarop een rij fijne witte stipjes, een grijsbruine kruin en nek, een olijfbruine rug en een helder rode stuit en staart; de buik is zwart bij de vogels van het vasteland en wit bij de vorm van het schiereiland Kaap York. Het vrouwtje is beduidend doffer: het rood blijft beperkt tot het gezicht, de stuit en de staart, de onderdelen zijn vaalbruin en het buikmidden is licht. De snavel is in de broedtijd rood, daarbuiten en bij jonge vogels zwart. Jonge vogels zijn dofbruin met een zwakke roodbruine zweem op stuit en staart. In de vlucht valt vooral de lange rode staart op, die achter de vogel aan zwiept.
Verwarringssoorten
De doornastrild (Neochmia temporalis) is de naaste verwant en heeft ook rood in het gezicht, maar daar is het rood beperkt tot een scherpe streep boven het oog, terwijl gezicht, keel en flanken grijs zijn; bovendien is de staart kort en donker in plaats van lang en rood, is de rug olijfgroen, en komen de arealen elkaar nauwelijks tegen — de doornastrild hoort in het oosten en zuidoosten, de zonastrild in het tropische noorden. De binsenastrild (Emblema ruficauda) heeft eveneens een rood gezicht met witte stippen, maar is olijfgeel op de onderdelen, heeft een veel kortere staart en leeft in droger, grazig land zonder pandanus. De gouldamadine (Chloebia gouldiae) is grasgroen met een paarse borst en een gele buik, en de roodkoppige vorm daarvan heeft het rood op de kop en niet op de keel en flanken. Voor de vorm met witte buik van Kaap York geldt dat de tekening verder identiek is aan die van de vogels van het westen.
Leefgebied
Strikt gebonden aan permanent water in de tropen. De kern is de smalle strook van pandanusstruweel, hoog gras en riet langs rivieren, kreken en lagunes, waar de soort ook nestelt: het grote grasnest wordt in de bladoksels van een pandanus of een palm gebouwd, soms in een gebouw of onder een dakrand. Daarnaast gebruikt hij melaleucamoeras, rietkragen, gras rond veedrinkplaatsen, suikerrietvelden en tuinen in plaatsen als Darwin en Kununurra, zolang er water in de buurt is. Het voedsel bestaat uit graszaad, aangevuld met insecten, dat op de grond of van de halm wordt gepikt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Het tropische noorden van Australië, van de Kimberley in het noorden van West-Australië door het Top End van het Noordelijk Territorium tot in het Golfland en het noorden van Queensland. De verspreiding is daarbinnen sterk lijnvormig: de soort volgt de waterlopen en ontbreekt in het droge land ertussen. Op het schiereiland Kaap York leeft de afzonderlijke vorm met witte buik, die daar en in zuidelijk Nieuw-Guinea voorkomt. Er is geen trek; de vogels blijven het hele jaar bij hun waterloop, al schuiven ze in de natte tijd wat uit.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek een kreek of een rivieroever met pandanus, ga op enige afstand van het water staan en wacht tot er beweging in de bladeren komt. Het hardste, kortste geratel van de plek is bijna altijd deze soort: een scherp tsjek-tsjek-tsjek dat aan het geluid van twee steentjes tegen elkaar doet denken. Let er bij het bekijken op of de buik zwart of wit is — dat bepaalt om welke van de twee vormen het gaat, en op Kaap York is dat de moeite waard.
Staat van instandhouding
De soort geldt wereldwijd als niet bedreigd (LC) en is in de Kimberley en het Top End plaatselijk nog talrijk. Toch is de situatie niet overal gelijk: omdat de vogel volledig afhankelijk is van een smalle strook oevervegetatie, treft elke aantasting daarvan hem direct. Vertrapping van oevers door vee en verwilderde waterbuffels, het afbranden van pandanus- en rietstroken en het veranderen van de waterhuishouding hebben de soort uit grote delen van Queensland doen verdwijnen; de vorm met witte buik van Kaap York is sterk achteruitgegaan en wordt daar als bedreigd aangemerkt. Bescherming komt neer op het intact laten van de oeverstrook. Merk op dat de Australische soortenlijst die deze gids volgt, voor deze soort geen Rode Lijst-categorie overneemt omdat de taxonomie recent is herzien; de wereldlijst beoordeelt haar als niet bedreigd.
Wetenschappelijke naam
Neochmia phaeton | (Hombron & Jacquinot, 1841)
Hombron en Jacquinot beschreven de soort in 1841 als Fringilla phaeton, naar een vogel van Raffles Bay in het Noordelijk Territorium. Omdat ze naar een ander geslacht is verhuisd, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het soortepitheton verwijst naar Phaëthon, de zoon van de zonnegod die in de Griekse mythologie de zonnewagen mocht besturen en daarbij de aarde in brand zette — een verwijzing naar de vuurkleur van de vogel, die ook in de Nederlandse naam zonastrild doorklinkt. Het geslacht Neochmia werd in 1837 door Gray ingesteld. De Engelse naam Crimson Finch noemt eenvoudig de kleur.




