Alle soorten › Stormvogelachtigen › Albatrossen › Zuidelijke koningsalbatros
Zuidelijke koningsalbatros | Diomedea epomophora
Southern Royal Albatross | Albatros real
De zuidelijke koningsalbatros is een van de zwaarste vliegende vogels van deze gids: een albatros van rond de 120 cm met een spanwijdte van ruim drie meter, sneeuwwit van lijf met zwarte vleugels en een forse bleekroze snavel. Meer dan 99 procent van de wereldstand broedt op één eiland, Campbell, ver ten zuiden van Nieuw-Zeeland.
Geluid
Op zee zwijgt hij. In de kolonie klinkt bij de balts een hoog, schril en balkend gegil, dat kan overgaan in een keffend of klokkend geluid; daarbij wordt met de snavel geklapperd en worden de vleugels tot volle breedte uitgespreid, wat op een windstille dag over de hele helling te horen en te zien is.
Opname: Sander Lagerveld — CC BY-NC-SA 4.0 · Campbell Island, New Zealand · xeno-canto
Herkenning
Ongeveer 120 cm lang, spanwijdte boven de drie meter, 8 tot 10 kg. Het beste kenmerk zit in de snavel: fors en bleekroze met een romige punt én een zwarte snijrand langs de bovensnavel — een dun donker lijntje dat geen enkele andere reuzenalbatros heeft. Het lichaam is in alle leeftijden wit; de soort kent dus geen bruine fase. De bovenvleugel wordt met de jaren vanaf de voorrand naar binnen toe wit, vooral bij mannetjes, zodat oude vogels een wit gevlekte binnenvleugel hebben. Jonge vogels hebben een geheel donkere bovenvleugel en een wit lichaam met zwarte spikkels op rug, flanken, kruin en staart. In de vlucht ogen koningsalbatrossen bonkiger dan de grote albatros, met de kop wat dieper tussen de schouders.
Verwarringssoorten
De noordelijke koningsalbatros (Diomedea sanfordi) is de naaste dubbelganger: die houdt zijn hele leven een geheel zwartbruine bovenvleugel, terwijl bij de zuidelijke het wit vanaf de voorrand naar binnen kruipt. Bij jonge vogels werkt dat kenmerk niet — beide hebben dan donkere vleugels — en dan is een enkele vogel op zee vaak niet met zekerheid te benoemen; de zuidelijke is gemiddeld groter en zwaarder van snavel. De grote albatros (Diomedea exulans) en de antipodenalbatros (Diomedea antipodensis) doorlopen juist wél een bruine fase, missen de zwarte snijrand en dragen vaak een perzikkleurige veeg achter het oor; bij hen wordt de bovenvleugel wit vanuit de rug naar buiten, precies andersom. Alle mollymawks (albatrossen van het geslacht Thalassarche) — bijvoorbeeld de witkapalbatros (Thalassarche cauta) en de Salvins albatros (Thalassarche salvini) — zijn een derde kleiner, met een donkere snavel met geel en een blijvend zwarte bovenvleugel.
Leefgebied
Subantarctische en koel-gematigde oceaan, met een voorkeur voor de rand van het continentaal plat en de opwellingszones waar inktvis en vis aan de oppervlakte komen. Broeden gebeurt op de open tussockhellingen (grasland van losse, hoge polvormende grassen, vooral in Nieuw-Zeeland) en kruidenvelden van de subantarctische eilanden, waar het nest een lage kegel van modder en plantenmateriaal is op een plek met genoeg wind om op te kunnen stijgen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Broedt op Campbell-eiland (8.200 tot 8.600 paren, ruim 99 procent van de stand), op Enderby in de Aucklandeilanden (nog ongeveer 47 paren in 2017) en met enkele tientallen paren op Auckland- en Adams-eiland. Op zee is hij te zien voor de kust van Otago en bij Kaikoura, in Foveaux Strait en rond Stewarteiland, en verder in de Tasmanzee en op het continentaal plat voor Victoria, Nieuw-Zuid-Wales en Tasmanië, vooral in de winter.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De albatrostocht uit Kaikoura is de meest betrouwbare plek van het hele gebied: de vogels komen tot enkele meters van de boot en de zwarte snijrand op de roze snavel is dan met het blote oog te zien. Zie je een grote, geheel witlijvige albatros zonder enig bruin, kijk dan meteen naar die snijrand en daarna naar de voorrand van de bovenvleugel — wit dat vanaf de voorrand naar binnen loopt, wijst deze soort aan en niet de noordelijke koningsalbatros.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar (VU), met een totale stand van 28.000 tot 29.500 vogels. De negentiende eeuw hakte er zwaar in: op Enderby werd de broedvogel uitgeroeid en op Campbell werd de stand door jacht en door ingevoerde dieren sterk uitgedund. Nu is bijvangst in de beugel- en trawlvisserij het grootste probleem, zowel in Nieuw-Zeelandse wateren als voor de kust van Zuid-Amerika, waar de vogels buiten het broedseizoen heen trekken. Dat vrijwel de hele soort op één eiland broedt, maakt haar bovendien kwetsbaar voor één enkele calamiteit.
Wetenschappelijke naam
Diomedea epomophora | Lesson, 1825
Lesson beschreef de soort in 1825 als Diomedaea epomophora; omdat het geslacht (op die spelling na) hetzelfde bleef, staan auteur en jaartal zonder haakjes. epomophora is gevormd uit het Griekse epōmis, 'schouder', en -phoros, 'dragend': de vogel 'draagt' donkere schouders op een verder wit lijf. Lesson gaf geen typelocatie op; die wordt nu op Campbell-eiland gesteld, het eiland waar vrijwel de hele soort broedt.


