Alle soorten › Stormvogelachtigen › Pijlstormvogels › Zuidelijke reuzenstormvogel
Zuidelijke reuzenstormvogel | Macronectes giganteus
Southern Giant Petrel | Abanto marino antártico
De zuidelijke reuzenstormvogel is de grootste stormvogel ter wereld, zo groot als een kleine albatros, met een reusachtige geelhoornkleurige snavel waarvan de punt groen is. Hij is de aaseter van de zuidelijke oceaan — hij eet dode pinguïns, zeehonden en walvissen en doodt daarnaast zelf zeevogels — en is de enige stormvogel met een witte kleurvorm, die als een witte vlek met zwarte spikkels tussen de donkere vogels ligt.
Geluid
Bij een kadaver is hij luidruchtig: een diep grommen en brullen, met gehinnik en gesis in het gedrang, en veel vleugelgeklap als vogels elkaar verjagen. Op de kolonie klapperen baltsende vogels met de snavel en schreeuwen ze balkend met wijd geheven vleugels. Op zee, weg van aas, is hij doorgaans stil. Jongen op het nest spuiten maagolie naar wie te dichtbij komt.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een enorme stormvogel van 80 tot 100 cm en 3,8 tot 5,0 kg, met een spanwijdte rond de twee meter. Er zijn twee kleurvormen. De donkere vorm — ongeveer negentig procent van de vogels — is grijsbruin van lichaam met een vuilwitte kop, hals en bovenborst die scherp tegen dat donkere lichaam afsteken, met grijsbruin gemarmerde vleugels met bleke dekveren langs de voorrand en vaak een bleek oog. De witte vorm — ongeveer één op de tien — is geheel wit met een wisselend aantal onregelmatig verspreide donkerbruine veren, en heeft een donkerbruin oog. Beide vormen delen de reusachtige geelhoornkleurige snavel met een bleekgroene punt en grijsbruine poten. Jonge vogels van de donkere vorm zijn roetzwart en worden pas met de jaren bleek van kop. De vlucht is bultig en kortnekkig, met zware slagen en stijve vleugels — nooit de vloeiende, rechte vleugellijn van een albatros.
Verwarringssoorten
De noordelijke reuzenstormvogel (Macronectes halli) is de enige echte verwarring, en de snavelpunt beslist: bij giganteus is de nagel geelhoornkleurig met een groene punt, van blauwgroen tot appelgroen, bij halli steenrood tot roodbruin. Op afstand helpt bij volwassen vogels het kleedpatroon: giganteus houdt een donker lichaam met een scherp begrensde witte kop en hals, terwijl halli juist donker van boven en bleek van onderen wordt, met een bruin blijvende kruin. De witte kleurvorm is een zekerheid: die komt alleen bij deze soort voor. Jonge vogels van beide soorten zijn geheel roetzwart en zonder zicht op de snavelpunt praktisch niet te scheiden — dat is de eerlijke stand van zaken, en formaat lost het niet op, want de twee overlappen in vrijwel alle maten. Albatrossen zijn slanker van kop en hals, hebben aparte neusbuizen aan weerszijden van de snavel in plaats van een koker bovenop, en glijden vloeiender.
Leefgebied
Open zee van de subantarctische wateren tot ver in het pakijs, verder naar het zuiden dan zijn noordelijke tweelingsoort, met een sterke voorkeur voor plaatsen waar aas te halen valt: langs pinguïn- en zeehondenkolonies, achter trawlers en rond havens. Hij foerageert ook lopend aan land, aan de vloedlijn en bij zeeolifanten. Broeden doet hij op open, winderig terrein van subantarctische en antarctische eilanden en kusten, in losse kolonies waar het nest een lage hoop mos, gras en steentjes is.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Binnen het kaartvenster broedt hij niet in Nieuw-Zeeland zelf; de dichtstbijzijnde kolonie is Macquarie, met ongeveer 2145 paren, en verder Heard en de McDonaldeilanden in de Indische Oceaan. De wereldpopulatie wordt op ongeveer 46.800 broedparen geschat, met de zwaartepunten op de eilanden en kusten rond Antarctica, Zuid-Georgië en het zuiden van Chili en Argentinië. Vogels die niet broeden zijn regelmatig in Nieuw-Zeelandse wateren, met het Kaikoura-schiereiland als bekendste plek, en langs de zuidkust van Australië; ze zijn in dit gebied dus vooral bezoeker.
- Jaarrond
- Winter
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Neem de albatrostocht bij Kaikoura, waar beide reuzenstormvogels op het aas afkomen en tot op enkele meters naderen. Kijk daar niet naar de kop maar naar de punt van de snavel — groen is deze soort — en maak een foto, want in tegenlicht is groen net zo goed bruin. Zie je een geheel witte vogel met zwarte spikkels, dan is de zaak meteen rond: die kleurvorm bestaat alleen bij de zuidelijke soort, en het is geen aparte soort maar simpelweg een tweede kleed.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC), met een wereldpopulatie rond 46.800 broedparen. De grootste verliezen ontstaan op zee: vogels raken verstrikt in beugellijnen of botsen tegen de kabels van trawlers, en omdat de soort kadavers en visafval opzoekt, komt ze precies daar waar die tuigage hangt. Op de kolonies is verstoring een reëel probleem, want een broedvogel die wordt opgejaagd verlaat het nest, en er zijn kolonies die daardoor zijn teruggelopen. Ingrepen helpen: vogelverschrikkerlijnen achter trawlers en nachtelijk zetten van beugels verlagen het aantal slachtoffers sterk.
Wetenschappelijke naam
Macronectes giganteus | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Procellaria gigantea; omdat ze later naar Macronectes is verplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. giganteus betekent eenvoudigweg 'reusachtig'. Het geslacht Macronectes werd in 1905 door Richmond ingevoerd en is gevormd uit het Griekse makros, 'groot', en nēktēs, 'zwemmer'. De typelocatie is later beperkt tot Staten Island — Isla de los Estados, voor de punt van Vuurland. De Māori-naam is pāngurunguru.


