Alle soorten › Stormvogelachtigen › Pijlstormvogels › Blauwe stormvogel
Blauwe stormvogel | Halobaena caerulea
Blue Petrel | Halobaena caerulea
De blauwe stormvogel is het blauwgrijze buisneusje van de subantarctische zee dat je twee keer laat kijken: op afstand is hij een prion, met dezelfde blauwgrijze rug en dezelfde open zwarte M over de vleugels, maar hij heeft een zwarte kap die tot onder het oog doorloopt en een vierkante staart met een sneeuwwitte punt. Die witte staartpunt is het enige kenmerk dat op zee altijd werkt. Hij is de enige soort van zijn geslacht.
Geluid
Op zee zwijgt hij. In de kolonie komt het geluid 's nachts uit het hol en van vogels die boven de tussockhelling rondcirkelen: koerende en kakelende reeksen die sterk op die van prions lijken, een ratelend kek-kek-kek-kek afgewisseld met een zachter, duifachtig koeren. Wie overdag langs een kolonie loopt, hoort niets.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Negenentwintig centimeter en zo'n tweehonderd gram, dus een kwart zwaarder dan de meeste prions en met een grotere, hoekiger kop. De bovenzijde is blauwgrijs met een open zwarte M die van vleugelpunt tot vleugelpunt loopt en over de onderrug onderbroken is. Voorhoofd en keel zijn wit, maar de zwartige kap loopt tot onder het oog door en zet als een halve halsband door op de zijborst. Onderzijde en ondervleugel zijn wit, de snavel is zwart, de poten zijn blauw. De staart is vierkant afgesneden en heeft een duidelijke witte punt. De vlucht is sneller en hoekiger dan die van prions, met hogere bogen boven de golven — meer het beeld van een kleine Pterodroma-stormvogel dan van een walvisvogel.
Verwarringssoorten
Alle zes prions van deze gids lijken sterk op hem: duifprion (Pachyptila turtur), dikbekprion (Pachyptila crassirostris), dunbekprion (Pachyptila belcheri), antarctische prion (Pachyptila desolata), salvins prion (Pachyptila salvini) en breedbekprion (Pachyptila vittata). Alle zes hebben een grijze staart met een zwarte punt; de blauwe stormvogel is de enige met een witte staartpunt. Daarbij is hij groter en zwaarder, is de kap donkerder en loopt die tot onder het oog door, en mist hij het bleke wenkbrauwgezicht van de dunbekprion. De naam misleidt: ondanks het woord 'stormvogel' staat Halobaena taxonomisch niet bij de echte stormvogels (Pterodroma, Procellaria) maar direct naast de walvisvogels — het is het zustergeslacht van Pachyptila, en juist het blauwgrijze kleed met de M-band laat die verwantschap zien.
Leefgebied
Koud, voedselrijk oceaanwater rond en ten zuiden van de antarctische convergentie, waar hij vooral 's nachts krill, kleine inktvis en vislarven van het oppervlak pikt. Broeden doet hij in zelfgegraven holen in de veenbodem onder tussock (grasland van losse, hoge polvormende grassen, vooral in Nieuw-Zeeland) op subantarctische eilanden, meestal op hellingen met vrij uitzicht op zee, en hij komt en gaat uitsluitend in het donker.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Binnen het kaartvenster van deze gids broedt hij alleen op Macquarie-eiland, met minder dan duizend paren; de grote kolonies op Kerguelen, Crozet, Prince Edward en Zuid-Georgië liggen erbuiten. In de wateren ten zuiden van Australië en Nieuw-Zeeland is hij een niet-broedende gast die zelden vanaf een boot wordt gezien, maar wel jaarlijks als strandvondst opduikt: op Nieuw-Zeelandse stranden gewoonlijk tien tot honderd dode vogels per jaar, met een duidelijke piek van juli tot oktober, en in Australië vooral op de kusten van Victoria, Tasmanië en Zuid-Australië na winterstormen.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Kijk bij elk prionachtig vogeltje eerst naar de staartpunt en pas daarna naar de snavel: wit betekent blauwe stormvogel, en dat blijft ook in tegenlicht overeind. Levende vogels zie je het best op een tocht naar de subantarctische eilanden of op een pelagische trip diep in het zuiden in de winter. Langs de kust is een strandtransect lopen na een aanhoudende zuidwesterstorm in augustus of september de realistischer manier om de soort in handen te krijgen.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC): de wereldpopulatie loopt in de miljoenen en het zwaartepunt ligt op onbewoonde eilanden. Waar wel roofdieren kwamen, liep het anders. Op Macquarie-eiland hielden katten en ratten de kolonie klein en groeven konijnen de hellingen stuk; pas na de grote uitroeiingscampagne die het eiland in 2014 plaagdiervrij verklaarde, kon het aantal holen weer toenemen. Op zee is hij weinig gevoelig voor de beugvisserij, maar plastic in de maag en de opwarming van het krillrijke water gelden als groeiende zorgen.
Wetenschappelijke naam
Halobaena caerulea | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Procellaria caerulea; omdat het geslacht sindsdien veranderde, staan auteur en jaartal tussen haakjes. caerulea is Latijn voor 'blauw', naar het kleed. Het geslacht Halobaena werd in 1856 ingevoerd door Bonaparte, uit Grieks hals 'zee' en bainō 'lopen', dus 'zeeloper'. De typelocatie is niet nauwkeuriger opgegeven dan 'Zuidelijke Oceaan'.


