Alle soorten › Zangvogels › Elfjes › Zwarte grassluiper
Zwarte grassluiper | Amytornis housei
Black Grasswren | Maluro negro
De zwarte grassluiper is de donkerste van de dertien grassluipers in deze gids en een van de lastigst bereikbare vogels van Australië: hij leeft uitsluitend tussen reusachtige zandsteenblokken in het onherbergzame noordwesten van de Kimberley in West-Australië. Pas in 1901 ontdekt, is hij tot vandaag door weinig vogelaars gezien.
Geluid
Een hoog, snel en aanhoudend trillend liedje dat tussen de zandsteenblokken weerkaatst, en scherpe, droge tikkende noten als contact- en alarmgeluid. Voor een grassluiper draagt het geluid ver, wat in dit rotsige, onoverzichtelijke landschap vaak de enige manier is om de vogels te vinden. Het repertoire is minder goed gedocumenteerd dan dat van de zuidelijke soorten.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Achttien tot tweeëntwintig centimeter, met een zeer lange staart en een zwaar, langpotig lijf. Op afstand en in de schaduw van de blokken oogt de vogel gewoon zwart — daar dankt hij zijn naam aan. Van dichtbij blijkt het zwart van kop, keel en borst overgoten met fijne witte schachtstrepen op de bovendelen, en is de rug roodbruin. Het vrouwtje deelt de zwarte kop maar is op buik en flanken warm roestrood, waardoor een paartje in het veld verschillend oogt. De vogel rent en springt over de blokken en vliegt vrijwel nooit meer dan een paar meter.
Verwarringssoorten
In zijn hele areaal is er geen andere grassluiper: de dichtstbijzijnde verwant, Dorothy's grassluiper (Amytornis dorotheae), zit ruim zevenhonderd kilometer oostelijker in het zandsteen van de Golf van Carpentaria en is veel lichter, roodbruin en fijn gestreept. De zwart-witte grassluiper (Amytornis woodwardi) van Arnhemland is even groot en leeft in hetzelfde soort blokkenlandschap, maar heeft een sneeuwwitte keel en bovenborst die deze soort volledig mist. De enige andere Maluride die in de Kimberley veel gezien wordt is het purperkruinelfje (Malurus coronatus), dat veel kleiner is en niet op rotsen maar in het pandanus- en rietgordijn langs de rivieren leeft.
Leefgebied
Zandsteenmassieven met velden van zeer grote, losse blokken en diepe spleten, met daartussen spinifexpollen (Triodia) en plaatselijk kleine stukjes struweel of moessonbos in beschutte kloven. De blokken leveren koelte, dekking en veilige nestplaatsen; de pollen het voedsel. Hij komt niet voor op vlak spinifexland zonder rots.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Endemisch in het noordwesten van de Kimberley in West-Australië: het Mitchell-plateau, het Prince Regent-gebied, de Artesian Range en aangrenzende zandsteenmassieven. Het areaal is klein en het terrein is grotendeels alleen per boot of helikopter te bereiken. Standvogel; de vogels blijven binnen één massief en steken de tussenliggende savanne niet over, waardoor de populatie van nature uit geïsoleerde deelpopulaties bestaat.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Dit is geen soort die u onderweg tegenkomt — wie hem wil zien, gaat gericht naar het Mitchell-plateau of een van de kloven in de noordwestelijke Kimberley, het liefst vroeg in de ochtend. Zoek langs de rand van een blokkenveld waar spinifex tussen de stenen staat, en laat u leiden door het geluid. De vogels bewegen over de bovenzijde van de blokken en verdwijnen bij onraad in een spleet; stil gaan zitten werkt beter dan zoeken.
Staat van instandhouding
De soort staat te boek als niet bedreigd. Dat lijkt tegenstrijdig voor een vogel met zo'n klein areaal, maar het noordwesten van de Kimberley is een van de gaafste landschappen van Australië: het gebied is nauwelijks bewoond, wordt niet begraasd en het rotsige terrein remt branden af, waardoor oude spinifexpollen tussen de blokken blijven staan. De risico's die overblijven zijn het oprukkende, te hete laat-seizoensvuur op de omringende plateaus en verwilderde katten. Omdat de hele wereldpopulatie in één landschap ligt, wordt de soort in Australië nauwlettend gevolgd.
Wetenschappelijke naam
Amytornis housei | (Milligan, 1902)
Alexander William Milligan beschreef de vogel in 1902 als Amytis housei; omdat de soort later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het epitheton housei eert Frederick Maurice House, de arts en natuuronderzoeker die als lid van de expeditie die in 1901 de noordwestelijke Kimberley verkende de eerste exemplaren verzamelde. Het geslacht heette eerst Amytis, naar een Perzische vorstin; omdat die naam al vergeven was, stelde Leonhard Stejneger in 1885 Amytornis voor, met het Griekse ornis (vogel). De Nederlandse naam volgt de veldindruk: een grassluiper die simpelweg zwart oogt.

