Alle soorten › Zangvogels › Elfjes › Kortstaartgrassluiper
Kortstaartgrassluiper | Amytornis merrotsyi
Short-tailed Grasswren | Maluro colicorto
De kortstaartgrassluiper is de grassluiper van de rotsige ranges van Zuid-Australië: een roestbruin vogeltje met een scherp afgezette witte keel, dat tussen spinifexpollen op steile puinhellingen van de noordelijke Flinders en de Gawler Ranges leeft. Hij stond lang als zuidelijke ondersoort van de witkeelgrassluiper te boek. Zijn staart is werkelijk de kortste van het geslacht, al is dat in het veld een lastig kenmerk.
Geluid
Een hoog, dun en snel ratelend liedje van twee tot vier seconden, gezongen vanaf de top van een spinifexpol of vanaf een steen, met een licht stijgend slot. Het contactgeluid is een fijn, scherp tsip, bij verstoring gevolgd door droge tjek-noten. Het ligt zo hoog in de toonschaal dat veel waarnemers het op leeftijd niet meer oppikken; in de kloven van de Flinders weerkaatst het bovendien, wat het plaatsen van de zanger bemoeilijkt.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Veertien tot zestien centimeter. De staart is duidelijk korter dan bij de andere grassluipers van de spinifex en beslaat ongeveer de helft van de totale lengte in plaats van ruim de helft; rennend wordt hij rechtop gedragen. De bovendelen zijn warm roodbruin met fijne witte schachtstrepen, elk zwart omzoomd. De keel is helder wit en scherp afgezet tegen de borst; het mannetje draagt daarlangs een zwarte baardstreep, het vrouwtje niet, maar wel roestbruine flanken. De poten zijn opvallend lang, de snavel fijn en donker.
Verwarringssoorten
De witkeelgrassluiper (Amytornis striatus), waarvan deze soort is afgesplitst, is er in verenkleed vrijwel niet van te onderscheiden; het verschil zit in de kortere staart — een verschil van ruim een centimeter dat in de hand of op een goede foto te zien is, maar met een kijker onbetrouwbaar blijft — en vooral in terrein en verspreiding: striatus zit in het spinifex onder de mallee op zandgrond, ver naar het oosten, en niet op steenpuinhellingen. De bruine grassluiper (Amytornis purnelli) van het Centrale Bergland bewoont hetzelfde soort rotshelling maar is donkerder, veel vager gestreept en mist het scherpe zwart-witte keelpatroon; hun arealen raken elkaar niet. Op de vlakten rond de Flinders leeft bovendien Amytornis modestus, die niet in deze gids staat: die is valer en effener, met een zwaardere snavel, en zit in zoutstruweel in plaats van in spinifex op rots.
Leefgebied
Oude, dichte spinifexpollen (Triodia) op steile, met steenpuin bedekte hellingen, blokvelden en kloofwanden van droge ranges. Het gaat vrijwel altijd om hellingen met vast gesteente eronder; vlak spinifexland wordt gemeden. Zoals bij alle grassluipers van het spinifex heeft hij pollen nodig die vele jaren niet gebrand hebben, groot genoeg om onder te schuilen en te nestelen. De lange poten passen bij een vogel die zijn leven lopend over los steen doorbrengt; hij vliegt zelden meer dan een paar meter.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Alleen Zuid-Australië, in twee gescheiden gebieden. In het oosten de noordelijke Flinders Ranges, met de Gammon Ranges, Arkaroola en de kloven daaromheen; de typelocatie ligt ten noordoosten van Lake Torrens, bij Yudanamutana in de Flinders. In het westen de Gawler Ranges, waarvan de vogels als aparte ondersoort worden onderscheiden. Tussen beide liggen vlakten die de soort niet bewoont. Hij is standvogel met vaste terreinen en steekt open land nauwelijks over.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Werk in het eerste uur na zonsopkomst de onderste helft van een puinhelling af waar de spinifexpollen kniehoog en gesloten staan; Arkaroola en de Gammon Ranges zijn de bekendste plekken. Blijf staan bij de eerste dunne tsip en laat de vogels naar u toe komen. De korte staart merkt u pas op als u de vogel rustig en van opzij ziet — vertrouw liever op plaats en terrein: een grassluiper met scherpe witte keel op een steenpuinhelling in de Flinders of de Gawler Ranges is deze soort.
Staat van instandhouding
Gevoelig (NT). Het areaal is klein en in twee stukken verdeeld, en de aantallen zijn bescheiden. De belangrijkste druk is ook hier het vuur: een grote brand kan een hele helling voor tien jaar of langer onbruikbaar maken, en omdat de bezette hellingen ver uit elkaar liggen, verloopt de herbevolking traag. Daarbij komen begrazing door vee, geiten en verwilderde ezels, die de pollen uitdunnen, en verwilderde katten. Een deel van het areaal ligt in beschermd gebied — het Vulkathunha-Gammon Ranges National Park en de reservaten van de Gawler Ranges — wat de vooruitzichten verbetert.
Wetenschappelijke naam
Amytornis merrotsyi | Mellor, 1913
John Mellor beschreef de vogel in 1913, naar een exemplaar uit de Flinders Ranges ten noordoosten van Lake Torrens; de typelocatie is later nader bepaald op Yudanamutana. Het epitheton merrotsyi eert een persoon uit de kring rond Mellor, vermoedelijk een verzamelaar of begunstiger; wie dat precies was, is in deze ronde niet nagetrokken en wordt hier daarom niet ingevuld. Het geslacht heette eerst Amytis, naar een Perzische vorstin; omdat die naam al vergeven was, stelde Leonhard Stejneger in 1885 Amytornis voor, met het Griekse ornis (vogel). De Nederlandse naam en de Engelse (Short-tailed Grasswren) noemen allebei de korte staart, het kenmerk waarmee de vogel zich van zijn naaste verwant onderscheidt.

