Alle soorten › Zangvogels › Borstelvogels › Zwartkapborstelvogel
Zwartkapborstelvogel | Dasyornis longirostris
Western Bristlebird | Curruca bigotuda piquilarga
De zwartkapborstelvogel is een bruine sluiper van dezelfde West-Australische kustheide als de grote doornkruiper, en bijna even moeilijk te zien. Hij blijft in de onderste halve meter, vliegt kort en laag als hij al vliegt, en verraadt zich vrijwel alleen door zijn heldere fluitlied. Hij is bedreigd en komt nog maar in een handvol reservaten voor.
Geluid
Het lied is een korte, heldere reeks fluittonen met een vast ritme, vaak weergegeven als tsjip-pie-tie-pietel-pet; het draagt over de open heide honderden meters ver en de richting is bedrieglijk. Meestal zingt het mannetje vanaf een lage tak of een struiktop, in het eerste uur na zonsopgang en opnieuw tegen de avond. Bij onraad klinkt een scherp, kort tsjek, en een paar houdt in de dekking contact met dunne piepjes. Er wordt het hele jaar gezongen, met een piek in het voorjaar, van augustus tot november.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Achttien tot tweeëntwintig centimeter, met een korte, brede, roodbruine staart met donkere dwarsbanden die vaak iets omhoog wordt gedragen. De bovendelen zijn grijsbruin, de onderzijde vuilwit met een fijne donkere schubtekening op borst en flanken. Gezicht en keel zijn lichter, met een bleke streep tussen snavel en oog; de iris is roodbruin. De snavel is lang en dun voor een vogel van deze bouw. Man en vrouw zijn gelijk, en jonge vogels zijn valer en minder duidelijk geschubd.
Verwarringssoorten
De grote doornkruiper (Atrichornis clamosus) zit in dezelfde heide, is even bruin en even schuw, maar heeft een lange trapsgewijze staart zonder dwarsbanden, bij het mannetje een zwarte keel, en een lied dat vele malen harder is en uit metaalachtige tonen bestaat. Dasyornis broadbenti, de borstelvogel van de zuidkust van Victoria en Zuid-Australië, is groter en roodbruin op de kruin en komt hier niet voor. Doornsnavels en struiksluipers van de heide zijn half zo groot en bewegen veel opvallender. Een grote bruine vogel die laag door de heide wegduikt en niet meer terugkomt, is in deze streek bijna altijd een van de twee eerstgenoemde.
Leefgebied
Lage, zeer dichte heide op zandgrond langs de kust: kwongan (soortenrijk heideachtig struweel van zuidwestelijk Australië) met banksia, hakea en zegge, op duinruggen, kliftoppen en de zandvlakte erachter, met een gesloten dak op knie- tot heuphoogte. De begroeiing moet enkele jaren tot een decennium ongebrand zijn; te jong is te open en te oud wordt te ijl. Hij loopt over de bodem tussen de stengels door en komt zelden hoger dan een halve meter. Bos, akkers en beweid land worden gemeden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Alleen in het uiterste zuidwesten van Australië, in een handvol reservaten ten oosten en westen van Albany — Two Peoples Bay, Mount Manypeaks, Waychinicup — en in het Fitzgerald River National Park verder naar het oosten. De typelocatie ligt bij de Swan River, waar de soort al lang verdwenen is: het areaal is in anderhalve eeuw teruggelopen tot een fractie van wat het was. Hij is standvogel en de terreinen zijn klein; uitwisseling tussen de reservaten is er nauwelijks, want tussen de heidevelden ligt akkerland. Nieuwe vestigingen buiten de bestaande gebieden zijn niet bekend.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De kans is klein en het is eerlijk dat te zeggen. Ga bij windstil weer in het vroege voorjaar, van september tot november, met het eerste licht naar een pad door de heide van Two Peoples Bay of het Fitzgerald River National Park, en blijf staan tot u het ritme van het lied hoort. Zien betekent hier: een bruine vogel die in één seconde het pad oversteekt. Laat het afspelen van geluid achterwege; de soort is bedreigd en de territoria zijn geteld.
Staat van instandhouding
Bedreigd (EN), met de hele wereldpopulatie in enkele reservaten langs een kuststrook van nog geen tweehonderd kilometer. Brand is de zwaarste bedreiging: een enkele zomerbrand kan een heel deelgebied jarenlang onbewoonbaar maken, en na de branden bij Mount Manypeaks moesten de vogels van de randen terugkomen. Daarnaast tast de bodemschimmel Phytophthora cinnamomi de banksiaheide aan, en vossen en verwilderde katten jagen op een vogel die niet kan wegvliegen. Het beheer draait vooral om het opdelen van de heide in brandvakken.
Wetenschappelijke naam
Dasyornis longirostris | Gould, 1841
Gould beschreef de soort in 1841 als Dasyornis longirostris; de naam is sindsdien niet van geslacht veranderd, en daarom staan auteur en jaartal zonder haakjes. Het geslacht Dasyornis is gevormd uit Grieks dasys (borstelig) en ornis (vogel), naar de stijve borstels aan de snavelbasis waaraan de familie haar naam dankt. longirostris is Latijn voor 'langsnavelig'. De typelocatie is de Swan River in het zuidwesten van Australië.
