Alle soorten › Zangvogels › Stekelstaarten › Zwartkopraltimalia
Zwartkopraltimalia | Orthonyx spaldingii
Chowchilla | Colaespina de spalding
De zwartkopraltimalia is de grote, luidruchtige bodemvogel van het regenwoud van de Natte Tropen in het noordoosten van Queensland. Hij is fors en donker, met een zwarte kop, een opvallende bleke oogring en een keel die bij het mannetje wit en bij het vrouwtje oranjebruin is. U hoort hem eerder dan u hem ziet: in het eerste licht barst een familiegroep los in een rauw, ver dragend koor dat de Engelse naam heeft opgeleverd.
Geluid
Het geluid is het handelsmerk van de soort. Bij dageraad zet een groep een luid, rollend en schetterend koor in dat als chow-chilla-chow-chowry-chook-chook wordt weergegeven — daar komt de Engelse naam Chowchilla vandaan. Het klinkt schor en ongepolijst, valt zonder waarschuwing in en houdt een halve minuut aan, waarna het even abrupt ophoudt. Daarnaast klinken gedurende de dag korte, harde contactnoten en een scherp, ratelend alarm wanneer een groep uiteen wordt gedreven. In het gesloten regenwoud draagt het koor honderden meters ver en is het vaak het eerste dat de bezoeker van dit bos hoort.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Zesentwintig tot negenentwintig centimeter en fors gebouwd: met bijna honderdvijftig gram de zwaarste zangvogel van de regenwoudbodem in deze gids. De kop is zwartig, de bovendelen zijn donker olijfbruin, en rond het oog staat een brede, bleek blauwwitte ring die in het schemerdonker van het bos oplicht. De keel en de borst zijn wit bij het mannetje en oranjebruin bij het vrouwtje — een van de weinige gevallen in deze groep waarin u de geslachten in het veld uit elkaar houdt. De staartveren zijn stug en lopen uit in kale, stekelige schachtpunten; de vogel steunt erop terwijl hij het strooisel bewerkt. Hij vliegt zelden en zwaar, en loopt liever weg.
Verwarringssoorten
De australische stronkloper (Orthonyx temminckii), de enige andere vertegenwoordiger van deze familie in de gids, is de meest voor de hand liggende verwarring, maar het probleem lost zich op het areaal op: die soort zit in het zuidoosten, van Noosa tot Nowra, ruim tweeduizend kilometer zuidelijker, en is bovendien veel kleiner, bruin in plaats van zwartkoppig, en heeft witte vleugelbandjes. Binnen de Natte Tropen zelf is de vale lijster (Zoothera lunulata) de vogel waarmee hij op de bodem verward kan worden, maar die is geschubd getekend en scharrelt alleen en zwijgend, niet in een roepende groep. De zwartkeelstruiksluiper (Oreoscopus gutturalis) en de athertonstruiksluiper (Sericornis keri) delen de strooisellaag maar zijn nauwelijks een derde zo groot. Een grote, donkere, roepende groepsvogel die met de poten bladeren opzij veegt op de bodem van hoog regenwoud in het noordoosten van Queensland is deze soort.
Leefgebied
De bodem van gesloten tropisch regenwoud, van het laagland tot op de hoogste plateaus, met de meeste vogels boven ongeveer driehonderd meter waar het bos nat en het strooisel dik blijft. Hij werkt de bladlaag stelselmatig af: staand op de stugge staart veegt hij met een poot bladeren zijdelings weg en laat kale, ronde plekken achter die als visitekaartje in het bos te zien zijn, ook als de vogel al weg is. Het voedsel bestaat uit insecten, duizendpoten, slakken en wormen. Hij leeft in familiegroepen die het hele jaar bij elkaar blijven en een vast terrein verdedigen, en bouwt een groot, overkoepeld nest van mos en takjes laag tegen een stam of tussen boomwortels.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Beperkt tot het regenwoud van de Natte Tropen in het noordoosten van Queensland, van het Big Tableland bij Cooktown in het noorden zuidwaarts tot de Paluma Range bij Townsville. Daarbinnen is hij plaatselijk talrijk — de Atherton Tableland, Mount Lewis, de Palmerston Highway en Paluma zijn bekende plekken. Hij is standvogel in de strikste zin: hij trekt niet, zwerft niet, en steekt open terrein tussen twee bosblokken niet over. Dat maakt het bos zelf de begrenzing van het areaal.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Kom vroeg. Het ochtendkoor, in het eerste halfuur na zonsopgang, is verreweg de betrouwbaarste manier om de soort vast te stellen, en vaak de enige. Loop daarna langzaam een regenwoudpad af en kijk naar de bodem: de kale, geveegde plekken in het strooisel verraden dat een groep er is geweest. Blijf stilstaan zodra u ritselen hoort — de vogels naderen soms tot op enkele meters, maar lopen weg zodra u zelf beweegt. Een zaklamp of flits is niet nodig; wel geduld en een plek waar u even niets doet.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC). Het bos waarin hij leeft is werelderfgoed en wordt niet meer gekapt, en binnen dat bos is hij algemeen. De kwetsbaarheid zit in de beperktheid: één aaneengesloten maar niet erg groot regenwoudgebied, een vogel die geen open terrein oversteekt, en een dikke vochtige strooisellaag die hij nodig heeft. Cyclonen die het kronendak openbreken en wilde varkens die de bodem omwoelen zijn de twee zaken die op de bodemlaag ingrijpen; op de lange termijn is de opwarming van de Natte Tropen het punt van zorg.
Wetenschappelijke naam
Orthonyx spaldingii | Ramsay, 1868
Ramsay beschreef de soort in 1868, oorspronkelijk als Orthonix spaldingii, naar Edward Spalding, een verzamelaar en preparateur in Queensland die het typemateriaal leverde. Orthonyx is gevormd uit Grieks orthos (recht) en onyx (klauw), naar de lange, rechte achternagel waarmee deze vogels het strooisel bewerken. De Engelse naam Chowchilla is klanknabootsend en komt rechtstreeks uit het ochtendkoor. De Nederlandse naam noemt de zwarte kop; de familie Orthonychidae telt in totaal drie soorten, naast deze de australische stronkloper van het zuidoosten en een derde soort op Nieuw-Guinea.
