Alle soorten › Stormvogelachtigen › Pijlstormvogels › Zwartvleugelstormvogel
Zwartvleugelstormvogel | Pterodroma nigripennis
Black-winged Petrel | Petrel ala negra
De zwartvleugelstormvogel is de talrijkste kleine Pterodroma-stormvogel van dit gebied en tegelijk de makkelijkste van het lastige groepje: een vogel van dertig centimeter die van onderen wit oogt met een scherpe zwarte omlijsting, en met een brede zwarte diagonaal dwars over de ondervleugel. Boven eilanden als Norfolk en Macauley vormt hij in de zomer luidruchtige, acrobatische zwermen.
Geluid
Op zee zwijgt hij vrijwel altijd. Boven de kolonie is hij juist opvallend: baltsende groepen jagen elkaar in de lucht na met een steeds sneller en schriller ki-ki-ki-ki-ki, en daarnaast klinken hoge fluittonen whis-whis-whis of wie-wie-wie. Vanaf de grond en uit het hol komen lagere, hikkende ha-ha-ha-geluiden. Op Norfolkeiland is dit geluid van oktober tot maart een van de vertrouwde zomerklanken.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een kleine Pterodroma-stormvogel van dertig centimeter en ongeveer honderdzestig gram. De kop is bleekgrijs met een zwart-wit gespikkeld voorhoofd en een duidelijke donkere oogvlek; de bovenzijde is grijs met een donkere M over de vleugels en de stuit. Een uitgebreide grijze halskraag loopt de verder witte onderdelen in. Het beslissende kenmerk zit op de ondervleugel: een brede donkere band langs de voorrand van de handvleugel die als een brede zwarte diagonale streep doorloopt tot ver op de binnenvleugel, terwijl de rest van de ondervleugel wit blijft. Van onderen gezien is de vogel daardoor wit met een scherp getekende zwarte rand. Snavel zwart en gehaakt, drieëntwintig tot zesentwintig millimeter lang; poten meestal roze, soms blauw of paarsig. De staart is spits.
Verwarringssoorten
Binnen het geslacht is dit de soort waaraan je de andere kleine soorten afmeet. De cook-stormvogel (Pterodroma cookii) en de pycroft-stormvogel (Pterodroma pycrofti) hebben alleen een dunne donkere lijn langs de voorrand en missen de brede zwarte diagonaal over de binnenste ondervleugel; ze zijn bovendien bleker van bovenzijde en missen de zware grijze kraag. De gould-stormvogel (Pterodroma leucoptera) heeft een donkere kap die tot onder het oog doorloopt en oogt daardoor gekapt in plaats van bleek van kop. De chathamstormvogel (Pterodroma axillaris) lijkt het meest: die heeft dezelfde diagonale streep, maar die loopt bij hem door tot in de zwarte oksels — dat okselveld is diagnostisch en het loont de moeite elke vogel daar op te bekijken. Een soort die zelf niet in deze gids staat maar hier wel kan opduiken, Pterodroma brevipes, heeft meestal een donkere kraag of een donkere buik en een heel ander zwart-witpatroon op de ondervleugel.
Leefgebied
Op zee vooral subtropisch water ten noorden van de subtropische convergentie, boven diep water buiten het plat. Hij broedt op eilandjes en op zeeklifranden en grazige hellingen van grotere eilanden, en graaft zijn hol in zachte grond onder gras, varens of laag struweel, vaak op steile hellingen vlak boven zee.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Het zwaartepunt ligt op de Kermadec-eilanden, waar Macauley Island alleen al twee tot drie miljoen paren herbergt en Curtis Island ongeveer driehonderdduizend. Verder broedt hij op de Three Kings, Motuopāo, Matapia, Simmonds, Motukokako, Burgess, East Island en Portland Island, en in kleine aantallen op Rangatira en Mangere in de Chathamgroep. In de westelijke helft van het venster broedt hij op Lord Howe en op Phillip Island bij Norfolkeiland, met vanuit die eilanden vaak groepen die boven land rondcirkelen. Buiten het broedseizoen trekt hij naar de noordelijke Stille Oceaan, naar een gebied noordwest van Hawaï; in de Australische zomer is hij een regelmatige verschijning op pelagische tochten voor Nieuw-Zuid-Wales en zuidelijk Queensland.
- Broedvogel (zomer)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Op Norfolkeiland hoef je niet eens de zee op: kijk tussen oktober en maart aan het eind van de middag omhoog bij de klifranden, dan jagen tientallen vogels elkaar krijsend achterna. Wil je hem op zee, neem dan een pelagische tocht uit Sydney of Wollongong tussen december en april. Krijg je een kleine Pterodroma-stormvogel te zien, kijk dan meteen naar de binnenste ondervleugel: een brede zwarte diagonaal maakt hem, en de zwarte oksels van de chathamstormvogel zijn daarna het enige wat je nog moet uitsluiten.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC), en met miljoenen vogels op de Kermadecs alleen al is dit een van de talrijkste zeevogels van Nieuw-Zeeland. Waar ingevoerde zoogdieren op de broedeilanden zaten, verdween hij, en de soort heeft dan ook flink geprofiteerd van de uitroeiingen van ratten en katten op de Kermadecs, op Norfolkeiland en in 2019 op Lord Howe: nieuwe eilandjes worden sindsdien opnieuw gekoloniseerd. Wat overblijft aan landrisico’s is vooral vulkanische activiteit op de Kermadecs en brand; de sterfte in de visserij lijkt bij deze kleine, hoog vliegende soort gering.
Wetenschappelijke naam
Pterodroma nigripennis | (Rothschild, 1893)
Rothschild beschreef de soort in 1893 als Oestrelata nigripennis, zodat auteur en jaartal tussen haakjes staan. nigripennis is Latijn voor zwartvleugelig, van niger (zwart) en penna (veer of vleugel), en slaat op de zwarte tekening van de vleugel die ook de Nederlandse naam draagt. De typelocatie zijn de Kermadec-eilanden, nog altijd het hart van zijn verspreiding. Het geslacht Pterodroma werd in 1856 ingevoerd door Bonaparte, van het Griekse pteron (vleugel) en dromos (loper).

