Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Amerikaanse schaarbek

Amerikaanse schaarbek | Rynchops niger

Black Skimmer | Rayador americano

De Amerikaanse schaarbek is de enige vogel van Noord-Amerika bij wie de ondersnavel duidelijk langer is dan de bovensnavel. Hij vist door laag over glad water te vliegen met die ondersnavel door het oppervlak, en klapt de snavel dicht zodra hij een vis raakt — een manier van jagen die zicht overbodig maakt en die hij dus ook in het donker gebruikt. Hij is bovendien de enige vogel met een kattenpupil: een verticale spleet, die het verblindende licht boven het water tempert.

Amerikaanse schaarbek (Rynchops niger)
Foto: Andreas Trepte — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Geen krijsende sternenstem maar een laag, blaffend geluid, vaak vergeleken met een keffende hond op afstand: kaup kaup kaup, met een neusklank erin. In de kolonie klinkt het als een aanhoudend geblaf uit tientallen kelen tegelijk, vooral 's nachts, wanneer de vogels het meest actief zijn. Bij verstoring vliegen alle vogels tegelijk laag over de indringer heen met een schorre, doordringende roep. Alarmerende vogels voegen daar een gerekt, klagend kaaap aan toe.

Luister: VluchtroepXC914128

Opname: Manuel Grosselet — CC BY-NC-SA 4.0 · Álvaro Obregón, Juchitán de Zaragoza, Oaxaca, Mexico · xeno-canto

Herkenning

Een lange, smalle zwart-witte vogel met lange vleugels en korte pootjes, die op het strand plat op zijn buik ligt in plaats van te staan. De bovenzijde is zwart, de onderzijde en het voorhoofd zijn wit; de snavel is aan de basis rood en naar voren zwart, en de poten zijn oranjerood. De snavel zelf is het kenmerk: zijdelings tot een mes afgeplat, met een ondersnavel die een derde langer is dan de bovensnavel. Buiten de broedtijd wordt een witte halsband zichtbaar in de zwarte nek; jonge vogels zijn bruin van boven met licht gezoomde dekveren en hebben nog een vrijwel gelijke ondersnavel, die pas in de eerste maanden uitgroeit. In de vlucht slaat hij met lange opslagen en korte neerslagen, zodat de vleugelpunt het water niet raakt.

Verwarrings­soorten

Verwarring is bij goed zicht bijna uitgesloten, maar op afstand en tegen de zon lijkt een groep rustende schaarbekken op sterns. De koningsstern (Thalasseus maximus) is korter van vleugel, heeft een geheel oranje snavel van gelijke lengte en een zwarte kap in plaats van een zwarte rug. De lachmeeuw (Leucophaeus atricilla), die vaak op dezelfde zandbank zit, heeft een grijze rug, een donkere kap en staat rechtop op hoge poten. Jonge schaarbekken zijn bruin en dan minder opvallend, maar de snavelvorm en de gewoonte om plat op het zand te liggen verraden ze meteen.

Leefgebied

Rustig, ondiep water is de voorwaarde: lagunes, estuaria, getijdenkreken achter de kust en beschutte baaien, waar het oppervlak vlak genoeg blijft om doorheen te scheren. Broeden doet hij op kale zandeilanden, schelpenbanken en opgespoten platen met weinig plantengroei, bijna altijd naast een kolonie sterns, die sterker op roofdieren reageren. Ruige branding en diep open water mijdt hij; in Californië heeft hij zich juist gevestigd op de zoutige binnenzee van de Salton Sea en op de opgespoten eilandjes in de baai van San Diego. Op wad en slik bij laag water verzamelen zich overdag de rustende groepen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Hij broedt langs de Atlantische kust van New York en New Jersey zuidwaarts tot Florida, langs de hele Golfkust tot Texas en verder in Mexico, en in het westen plaatselijk in Californië. De noordelijke vogels trekken weg voor de winter: van North Carolina zuidwaarts blijft hij het hele jaar, terwijl de kolonies van de Midden-Atlantische staten in de winter leeg staan. Buiten de broedtijd verspreidt hij zich langs beide kusten van Mexico, naar Cuba en Midden-Amerika. In Zuid-Amerika leven twee verwante vormen, die de grote rivieren van het binnenland volgen; enkele daarvan bereiken in het noorden de kust van de Golf van Mexico. In Californië is hij pas sinds de jaren zestig broedvogel, een uitbreiding van nog geen mensenleven oud.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Kijk in het laatste uur voor zonsondergang over een luwe lagune of getijdenkreek: dan gaat de wind liggen, wordt het water spiegelglad en beginnen de schaarbekken hun baantjes te trekken, vaak heen en weer over dezelfde strook. Overdag liggen ze in dichte, roerloze rijen op een zandbank, allemaal met de kop dezelfde kant op; zoek dan naar de rode snavelbasis tussen de sterns. Nickerson Beach op Long Island, de eilandjes van Chincoteague in Virginia en de stranden van Florida en Texas geven de beste kans.

Staat van instandhouding

De Noord-Amerikaanse broedpopulatie wordt op zo'n 65.000 tot 70.000 vogels geschat en de aantallen dalen sterk: tussen 1966 en 2015 verdween naar schatting bijna negentig procent. Omdat hij op open, laaggelegen zand broedt, zijn de oorzaken direct zichtbaar: strandrecreatie, auto's en loslopende honden, en stormvloeden die een hele kolonie in één nacht wegspoelen. Zeespiegelstijging maakt de laagste broedplaatsen op termijn onbruikbaar, en de olieramp in de Golf van Mexico in 2010 kostte honderden vogels. Waar kolonies met linten en toezicht worden afgeschermd, houdt de soort stand.

Wetenschappelijke naam

Rynchops niger | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Rynchops nigra; omdat hij haar meteen in het geslacht plaatste waar ze nog steeds staat, staan auteur en jaartal zonder haakjes. Het geslacht Rynchops voerde hij in hetzelfde werk in, uit het Oudgriekse rhunkhos 'snavel' en ops 'gezicht'; strikt genomen is het een verschrijving voor Rhynchops, maar de foute spelling is de geldige gebleven. De uitgang veranderde later van nigra in niger omdat de naam van het geslacht als mannelijk wordt behandeld; niger betekent zwart. Linnaeus gaf als herkomst alleen 'Amerika' op, naar een plaat van Catesby; die is later vastgelegd op de kust van South Carolina.